Home


Professor Nordemann


Nordemann Lezing


Sprekers


Aanmelden Lezing


Aanmelden Nieuwsbrief


Recensies


Contact


Secretariaat


Adres


E-mail

David Tweedie


Karel van Hulle


Docters van Leeuwen


Jaap Peters


Paul Koster


Jan Hommen


Jeroen van der Veer


Onno Ruding


Peter Hartman


Dick Sluimers


Jan Nooitgedagt


Uitnodiging

Geachte dames en heren,


Laat ik beginnen te zeggen waar ik vandaag niet over zal spreken. Ik zal vandaag niet spreken over de vraag hoe wij de praktische uitvoering van het toezicht op accountants en jaarverslaggeving voor ons zien. Waarom niet? De conceptwet Toezicht op Accountantsorganisaties wordt vandaag ter consultatie aangeboden aan de markt. Daar wil ik niet op vooruitlopen.

Maar belangrijker is dat mij is gevraagd om vandaag te spreken over de vragen die daaraan voorafgaan, namelijk wat is toezicht, wat is financieel toezicht en waarom is dat ook nodig en nuttig voor accountants?

Inleiding

Eerst maar een enkele opmerking over toezicht. Toezicht – vroeger ook wel opzicht genoemd – is een hele oude bestuursvorm, en toezicht houd je als je een toestand (orde en rust, door de burgemeester) of een norm (kwaliteit van laken, denk aan de Staalmeesters) wilt handhaven ten algemene nutte. We hebben in beschaafde landen tientallen, zo niet honderden vormen van toezicht, en toezicht op markten is daar één van. Ook markttoezicht is al heel oud, denkt u maar eens aan de praetor in het Romeinse recht.

Waar gaat het om bij markttoezicht? In de eerste plaats zorgen dat er überhaupt een markt is, dat wil zeggen niet een markt in laat middeleeuwse zin waar tegen vaste prijzen goederen van vaste kwaliteit worden afgezet, nee, een markt van na de Verlichting waar competitie mogelijk is en mogelijk blijft. In Europa is dat de taak van de mededingingscommissaris en in Nederland de taak van de NMA. Vervolgens zie je op verschillende deelmarkten toezichthouders ontstaan, die uiteraard nog altijd wel oog hebben op de marktvorming als zodanig, maar zich toch veel meer bezighouden met de kwaliteit van de markt, zoals de Voedselautoriteit, de Opta en de AFM. We willen immers competitie omdat de markt daardoor instabiel en dynamisch wordt. Die dynamiek kan twee kanten op: de race ‘to the bottom’ en de race ‘to the top’. De toezichthouder moet er voor zorgen dat de race niet doorschiet onder het niveau dat nog, gelet op het algemeen belang, aanvaardbaar is en waar mogelijk creëert hij impulsen omhoog. Ik kom daarop nog terug.

Welnu, de toezichthouders op de financiële markten zijn DNB, PVK en AFM. En waar bij het toezicht op voedsel het sleutelwoord hygiëne is, is dat sleutelwoord voor ons ‘vertrouwen’. Ik heb mij wel eens afgevraagd waarom dat toezicht van ons zoveel verder gaat als ander toezicht. Waarom bijvoorbeeld is bij ons de norm ‘dat de betrouwbaarheid van de bestuurder niet buiten twijfel mag staan’? Dat doen we niet alleen bij de bakker en de slager, maar ook bij advocaten of artsen toch ook niet? Ik denk dat het komt omdat niemand meer weet wat geld is. We weten wel waartoe het dient maar niet wat het is. Zijn de paar aangeslagen geheugenplaatsen in de computer van de bank ‘geld’, is uw afschrift ‘geld’? Kortweg: ‘geld’ is een grote berg afspraken, waarvan het de bedoeling is dat ook iedereen ze nakomt, en belangrijker nog, iedereen gelooft dat iedereen ze nakomt. Virtueler kan het niet. En wat voor geld geldt, geldt ook voor financiële instrumenten, aandelen voorop, niet voor niets vroeger ‘near money’ genoemd.

Eigenlijk houden we dus toezicht op vertrouwen, we proberen te voorkomen dat men van zijn geloof valt, het vertrouwen verliest c.q. als het geschaad is proberen we het weer te herstellen.

Ik ga nu niet in op de verdeling tussen DNB en PVK enerzijds en AFM anderzijds. Laat ik volstaan met te zeggen dat DNB en PVK zich bezighouden met dat deel van de vertrouwensvraag dat luidt: ‘krijg ik m’n centen wel terug, betaalt de verzekering straks uit, krijg ik wel pensioen?’ Kortom de prudentiële vraag. Ietsje netter: kan de onderneming zijn verplichtingen wel nakomen? En wij AFM behandelen de andere helft: ‘kan ik überhaupt wel met vertrouwen een transactie aangaan, is m’n tegenpartij geen ladenlichter, zijn de beursregels niet in mijn nadeel, heb ik wel de goede informatie?’ Kortom: gedragen marktpartijen zich wel naar behoren? We noemen dit toezicht gedragstoezicht en het wordt uitgeoefend door de AFM. Niet alleen voor effectenmarkten zoals voorheen, maar ook voor de krediet- en verzekeringsmarkten. Het eerste; prudentiële toezicht bestaat al weer enige tijd, het gedragstoezicht is veel nieuwer. En de AFM, nog steeds in oprichting, bestaat sinds maart 2002. De nieuwste taak van ons toezicht die er bij zal komen is het toezicht op accountants, meer in het bijzonder op accountantskantoren en accountants.


Vier marktimperfecties


Nu we dan weliswaar niet via de Grieken, maar wel via de Romeinen zijn aangeland bij de accountants komt opnieuw de vraag op ‘waarom eigenlijk?’. Laten we de vraag wat systematischer benaderen. Mijn stelling luidt: toezicht en regulering moeten worden overwogen als er sprake is van marktimperfecties.

Er zijn vier hoofdbronnen van marktimperfecties:

• Marktmacht: ofwel het ontstaan van een te grote marktconcentratie;

• asymmetrische informatie: dat betekent dat of consument of producent meer informatie heeft dan de ander, met als bekend voorbeeld voorkennis;

• externaliteiten: gevolgen die moeilijk beheersbaar zijn en afgewenteld worden op derden, met als bekend voorbeeld milieueffecten;

• gemeenschappelijke goederen in de financiële sector, ter zake waarvan free riding mogelijk is, met als bekend voorbeeld waterstaatswerken.

Marktpartijen hebben een natuurlijke drang om marktimperfecties te creëren die in hun voordeel werken (bijvoorbeeld het opbouwen van marktmacht of het intransparant maken van de markt). En doordat de ‘Invisible hand’ van Adam Smith dan zijn werk niet kan doen, functioneert de markt niet goed en gaat uiteindelijk zelfs ten gronde. Dat betekent dat er minder toegevoegde waarde wordt gecreëerd dan eigenlijk mogelijk is.

We zeggen nadrukkelijk dat toezicht in geval van marktimperfecties moet worden overwogen omdat toezicht zelf ook tot marktimperfecties kan leiden – omdat toezicht zelf ook ingrijpt in de markt en deze minder efficiënt maakt. Oftewel: het middel moet niet erger zijn dan de kwaal. Toezicht moet marktimperfecties op effectieve wijze aanpakken, dat wil zeggen zo dat de markt, met zijn hardhandige discipline zijn werk kan blijven doen. Soms vrees ik wel eens het onderlinge pact tussen politiek en industrie. De een wil regels om ongelukken te voorkomen en de ander wil zekerheid. Schertsend heb ik wel eens gezegd dat wij van een planeconomie in de jaren zeventig nu in een toezichteconomie terecht dreigen te komen.

Laten we nu dan eens langs de lijn van de marktimperfecties naar het accountantsberoep kijken.


1e marktimperfectie: Marktmacht


Marktmacht beperkt concurrentie, en is daarom een imperfectie voor de vrije marktwerking. Marktmacht kan bijvoorbeeld ontstaan als markten geconcentreerd zijn, als de vraag in een markt inelastisch is of als marktpartijen onderling samenwerken. Een markt kan geconcentreerd zijn doordat er sterke schaalvoordelen bestaan of gewoonweg omdat regelgeving dit afdwingt. Een voorbeeld hiervan is Euronext dat (in elk geval in het retailsegment) een de facto monopolie heeft opgebouwd dankzij de schaalvoordelen en regelgeving die een barrière opwerpen tegen nieuwe partijen.

Welnu, de accountants houden ook een monopolie. Bij een aantal financiële rapportages is een certificaat wettelijk vereist en u bent de enige die het mag afgeven. U bent dus onmisbaar gemaakt en bovendien is de toegangsdrempel tot uw beroep heel hoog. U bent daarin niet de enige. Wettelijke monopolies zijn er voor artsen en advocaten ook. Op de reden van uw monopolie kom ik nog terug, maar reeds nu valt op dat accountantskantoren datgene dat hen tot monopolist maakt toch als hoofdberoep uitoefenen. Weliswaar is auditing de binnenkomer maar fiscaal advies en consultatie brengen het geld binnen.

Nu ziet men ook wel bij advocaten en zelfs bij huisartsen een zekere ‘branching out’, maar daar heeft toch altijd nog wel het besef geleefd dat te veel tegelijk doen wellicht niet tot optimale beroepsuitoefening zou leiden.

Dat wordt natuurlijk allemaal veel pregnanter als het belang van de professional bij de principaal door al dat meer opleverende nevenwerk heel groot wordt. Er is op dit punt een kenmerkend verschil met de huisarts die best lijfarts kan zijn en de advocaat die best bedrijfsadvocaat kan zijn. Deze twee professionals moeten immers altijd in het belang van hun cliënten handelen. Hun handelen wordt begrensd door wat de professie eist enerzijds en het belang van de cliënt anderzijds. Maar accountants hebben hun monopolie om een heel andere reden gekregen. Zij certificeren immer niet in de eerste plaats ten behoeve van hun principaal maar ten behoeve van de maatschappij, meer in het bijzonder degenen die behoren te weten hoe het met de onderneming waarin of waarbij zij een belang hebben gaat.

Nu nevenwerkzaamheden ten behoeve van de principaal belangrijker zijn dan de wettelijke, hoe weten we nu dat de afwegingen die de accountant bij auditing maakt nog overeenkomstig het algemeen belang zijn? Waar is nu de vaste grond waarop het vertrouwen rusten kan? Duidelijk is dat gegeven het feit dat neventaken voor de principaal, voor de accountant substantieel zijn, er voor stakeholders niet valt na te gaan of en in welke mate dit de afweging bij de wettelijke taakuitoefening beïnvloedt, daarin op zich al een argument gelegen is om onafhankelijk toezicht als een soort contragewicht toe te voegen.


2e marktimperfectie: a-symmetrische informatie


Asymmetrische informatie tussen vragers en aanbieders ontstaat bijvoorbeeld door onzekerheid over en complexiteit van producten en diensten die tussen beide uitgewisseld worden. Een vrager zal dus ofwel zich tegen grote kosten moeten verdiepen in het product, ofwel moeten vertrouwen dat de aanbieder hem of haar correct behandelt, ofwel een agent inschakelen die zich voor hem of haar verdiept in het product en die het vertrouwen geniet van de consument.

Als je in dit licht kijkt naar accountants, dan is deze marktimperfectie precies de reden geweest om het beroepsmonopolie te creëren. Immers wat wij stakeholders graag willen is dat wat er in per definitie samenvattende statements als een balans en een winst- en verliesrekening, wordt weergegeven, ook zo goed mogelijk datgene wat zich in de onderneming afspeelt representeert. Bovendien moeten wij investeerders keuzes maken, dus wat we willen is dat de representatie van de ene onderneming vergelijkbaar is met de andere. De ‘taal’- bij u neergelegd in standaards – moet hetzelfde zijn en gelijk worden toegepast opdat de verschillen die je ziet verwijzen naar verschillen die er ook echt zijn. Wij leden van de maatschappij kunnen dat niet. U bent onze wettelijke agent.

Is er iets mis gegaan? Er zijn twee ontwikkelingen in de afgelopen decennia die hier een rol spelen: Vertraging en complexiteit.

- De complexiteit van bedrijven is exponentieel toegenomen terwijl de kwaliteit van de regels geen pas heeft gehouden. Regels zouden moeten overstijgen zodat ze inzicht verschaffen, maar de regels zijn zelf ook in complexiteit meegegroeid – met gevolg dat het inzicht afnam. Een duidelijk voorbeeld is Enron: niemand begreep meer hoe het in elkaar zat. Dus nu hebben we én complexe ondernemingen én complexe regels. En door deze complexiteit worden de ondernemingsbesturen steeds machtiger in relatie tot de accountantsberoepsgroep. Meer systematisch: Zij beheersen de complexiteit van de onderneming, terwijl de effectiviteit van de accountantscontrole nu juist afneemt door de complexiteit van het normenstelsel waarop hij steunt.

- De vertraging, de tweede ontwikkeling, treedt op doordat het antwoord van de regelgeving op de complexiteit veel te langzaam gegeven wordt. Als gevolg ontstaat een discrepantie tussen de regelgeving en de ontwikkelingen in de markt. Hierdoor ontstaat weer ruimte voor interpretatie, ruimte die het eerste verschijnsel versterkt.


3e marktimperfectie: externaliteiten of afwenteling


Externaliteiten zijn zoals gezegd gevolgen van het gedrag van een partij die moeilijk beheersbaar zijn in hun doorwerking naar anderen. Een voorbeeld is het systeemrisico bij banken, als er een niet aan zijn verplichtingen kan voldoen ontstaat er een run op alle banken waardoor ook gezonde banken omvallen. Ook een dreigende ernstige stagnatie in de prijsvorming van genoteerde financiële instrumenten kan ernstige gevolgen hebben. Op de 11e september van 2001 hebben we dat gelukkig kunnen afwenden.

Doet zich nu ook zoiets bij accountancy voor? In ieder geval bij accountants. Als een lokaal kantoor zich ten aanzien van een bedrijf als Enron misdraagt, is het wereldwijd met Arthur Andersen afgelopen. Ik sta daarbij zeker niet te juichen want ik heb altijd begrepen dat Arthur Andersen een prima, innovatief bedrijf was. Maar waren er nu ook aanwijsbare markteffecten zichtbaar als gevolg van het Enron/Arthur Andersen debacle? Die vraag is veel moeilijker te beantwoorden. Ook al omdat de belegger zelf niet te beroerd is zich irrationeel te gedragen. Nemen wij bijvoorbeeld CISCO: net asset value 8 miljard, marktwaarde 450 miljard dollar.

De onzekerheid over financiële gegevens leeft denk ik niet. Die fundamentele onzekerheid op de achtergrond, met op de voorgrond, bubbles en grote volatiliteit, maken de markten niet aantrekkelijker voor nieuwe toetreders. Integendeel. We weten voorts dat partijen gevlucht zijn in het onroerend goed (verplaatst de bubble zich?) of grote sommen cash aanhouden. Dat geld rolt dan niet, ten nadele van de economie.

En stel nu eens dat altijd, met maar een kleine onzekerheidsmarge, vast had gestaan, vast staat en vast zal staan dat de financiële gegevens van de betrokken ondernemingen klopten, kloppen en zullen kloppen.

Had dat dan iets uitgemaakt of was het net zo gegaan als het gegaan is? Het antwoord op deze vraag bijt in de eigen staart als u nee zegt.


4e marktimperfectie: gemeenschappelijke goederen - vertrouwen


Gemeenschappelijke goederen ontstaan als goederen zonder extra kosten aangeboden kunnen worden aan een ongelimiteerde hoeveelheid extra vragers. Een belangrijk voorbeeld hiervan is het vertrouwen in de kapitaalmarkt. Iedereen profiteert van het vertrouwen, maar: niet iedereen wil hier aan bijdragen. Degenen die niet bijdragen kunnen uiteindelijk ervoor zorgen dat het gemeenschappelijke goed verdwijnt, ten nadele van iedereen. Ik wil zeker niet beweren dat de vertrouwensdip die we overal zien, alleen of in hoofdzaak aan de accountants te wijten zou zijn. Denk eens aan het gedrag van analisten en investmentbankers, maar ook aan het irrationele gedrag van beleggers zelf.

Niettemin – in de beroepsgroep van de accountants cumuleert nu iets. Het vertrouwen in alle deelnemers op de financiële markten heeft een knauw gehad, maar vooral in die beroepsgroep die op die markten een vertrouwensfunctie vervulde: de accountants. Welnu, als datgene wat wij eerder betoogden waarheid bevat, heeft toename van het vertrouwen in de accountants mede dus tot gevolg toename in het vertrouwen in de financiële markten, en dus meer deelname, betere prijsvorming, etc. Er is dus ook uit dezen hoofde reden voor bemoeienis. U kent de bekende straatroep van de fruitverkoper in Bagdad: “De dadels van Hassan zijn groter dan ze zijn”.


Summa Summarum


Tenslotte moet je je afvragen of deze beschouwingen wel een doorslaggevende grond voor toezicht op accountants opleveren. Thans kan die hoofdvraag eigenlijk niet meer zuiver behandeld worden. Immers, alle rijke landen versterken het toezicht c.q. voeren het in en het zou Nederlandse kantoren in een slechte positie brengen als wij achter bleven.

Ik prijs me daarom gelukkig dat wij deze discussie al gevoerd hadden voordat de internetbubble en de Enronbom barstten. Aanvankelijk was ik namelijk geenszins overtuigd. Mijn redenering was de volgende: Stel er is toezicht (door de AFM) op verslaglegging, en stel we krijgen het serieus aan de stok met het bestuur van een beursgenoteerde onderneming. Zal de president-commissaris dan niet zeggen: “Zeg, wat voor accountant hadden wij ook weer?”. Anders gezegd: de marktdiscipline doet hier toch zijn werk wel?

Daar zijn meer argumenten tegen aangevoerd, maar ik beperk met tot het hoofdargument, afkomstig van mijn medebestuurder Paul Koster: Stel dat de verslaglegging slecht was, mede door het nalaten van een accountant. Creëer je dan niet zelf een marktimperfectie doordat je toelaat dat beleggers niet de goede informatie krijgen, hetgeen wellicht voorkomen had kunnen worden als de accountant in het gesprek met de Board had kunnen zeggen dat zijn toezichthouder (de AFM) hierover problemen zou maken.

Welnu, de positie van de Nederlandse aandeelhouder is – lees hoe de buitenlandse pers over ons schrijft, en laat vooral op u inwerken dat sommige grote buitenlandse institutionele beleggers niet in Nederland willen beleggen – al precair genoeg. Dus heb ik de vlag gestreken. Een jaar later werden we getrakteerd op de affaires waarvan Enron de eerste was.


Aan de slag


Dus zijn we nu bij de vraag ‘Wat moet er gebeuren?’.

Om te beginnen uiteraard datgene waarmee u al jaar in jaar uit bezig bent. Goede standaards, goede beroepsregels, kortom datgene wat de andere professionals als advocaten en artsen ook hebben. Voor accountants komt daar de onafhankelijkheid ten opzichte van de principaal in relatie tot nevenwerkzaamheden voor die principaal bij. Zijn we er dan? Ik zal toelichten waarom ik meen van niet. Er zijn natuurlijke plichten verbonden aan het privilege van een beroepsgroep. Laat ik twee voorbeelden van andere beroepsgroepen geven: advocaten en artsen.

Advocaten hebben plicht om te strijden voor de cliënt, maar ze mogen niet de rechter verkeerd voorlichten. Ze moeten dus, binnen het recht, al het mogelijke doen in het belang van hun cliënt.

Artsen hebben een andere plicht: de patiënt is verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid, maar de arts moet wel zijn oordeel geven en voorschrijven wat de patiënt moet doen.

De plicht van de accountant, zoals die nu door de beroepsgroep zelf wordt geformuleerd is, heel kort getypeerd: Kan het? Is de representatie van het reilen en zeilen van de onderneming zoals voorgesteld door het bestuur van de onderneming aanvaardbaar? Daarop is vooral ook de interne review gericht. Als legitimatie hiervoor horen wij vaak: wij zijn niet verantwoordelijkheid voor het bestuur van de onderneming.

Het lijkt alsof de accountant zich gedraagt zoals de advocaat zich hoort te gedragen: namelijk dat hij alles doet binnen het recht om de belangen van de cliënt te dienen. Maar accountants zouden in mijn visie net als de arts veel meer de diagnose moeten zoeken: alle feiten wegen en vervolgens met een oordeel komen over wat naar uw beste weten de juiste representatie van de werkelijkheid is. En ik weet het ‘accounting is tricky’, zeker nu er zo veel virtualiteit de onderneming binnensluipt. maar gezondheidsvoorschriften zijn niet minder tricky.

Een ander punt van zorg dat ik hier bij leg is materialiteit.

Het punt van materialiteit zou wat ons betreft veel meer aandacht moeten krijgen. Niet in de laatste plaats omdat kleine complexe transacties met weinig materialiteit vaak de beste indicator zijn voor de kwaliteit van de organisatie.

Ik arme stake- of shareholder moet nu dus leven met twee onzekerheden, namelijk in hoeverre het aanvaardbaarheidsoordeel de betekenis van de cijfers beïnvloedt ook in hun vergelijkbaarheid met cijfers die door anderen aanvaardbaar zijn geacht. Maar ook nog met het gegeven dat ik niet weet wat er wegens immaterialiteit buiten de toetsing is gebleven. Kortom: wat was nu de afstand tot de realiteit, wat speelt zich nu eigenlijk af in de betrokken onderneming?

‘Kleinigheden’ als niet toetsen op fraude laat ik maar buiten bespreking.

Om u in te scherpen dat u als u zo doorgaat nooit uw vertrouwensfunctie zult herwinnen, vat ik een en ander maar even bewust grof in juristentermen samen.

U zegt tegen ons, stake- en shareholder: “of mijn cliënt list en bedrog gebruikte (fraude), dat weet ik niet. Een aantal zaken uit zijn betoog die me niet zo belangrijk leken heb ik helemaal niet onderzocht en voor de rest kan ik alleen maar zeggen: meineed lijkt het me niet wat mijn cliënt u voorhoudt…. Maar: Wilt u mij alstublieft weer vertrouwen?”


Slot


We schuiven de demagogie weer terzijde. Was het wel demagogie?

Marginale toetsing c.q. het beperken van het oordeel tot ‘aanvaardbaarheid’ raakt de grondhouding of het paradigma van de beroepsgroep. Trouwens: ik denk dat er al een verschuiving gaande is in dat paradigma.

Het wordt tijd dat accountants actie ondernemen, oplossingen bedenken voor het herstel van de vertrouwensfunctie. En dan bedoel ik niet passieve actie, het antwoord ligt niet in meer regels. Het is niet goed om alleen maar een defensieve strategie te voeren. Waarom kunt u niet zeggen: als wij een handtekening zetten dan betekent dat dat wij verklaren dat het de beste representatie van de werkelijkheid is?

De toegevoegde waarde van de accountant wordt anders, als u niet uitkijkt, uitgehold. Het is zeer goed denkbaar dat bedrijven meer eigen instrumenten gaan ontwikkelen om minder afhankelijk te zijn van accountants. Als gevolg van de toepasselijkheid van de Sarbanes Oxley-wetgeving hangen besturen van grote ondernemingen in voorkomend geval toch zelf. Hun accountant hangt hooguit met hen, niet in plaats van hen.

Op de valreep vraag ik me nog af: zou het een met het ander samenhangen? Zou de verschuiving naar lucratiever neventaken ook de focus van de hoofdtaak verschoven hebben, van ‘zo moet het’ tot ‘dit is aanvaardbaar’? Zou iets vergelijkbaars ook gelden voor het materialiteitsoordeel en vooral ook voor fraudetoetsing? Ben ik goed ingelicht, dan is het accountantsvak daar toch juist begonnen?

Tot slot: Het zal u opgevallen zijn. Ik ben géén accountant en straks is de toezichthouder geen accountantskantoor. Daarom heb ik in deze lezing niet willen overlopen van begrip. Begrip dat er natuurlijk wel degelijk is, dat we opbouwen en dat we nodig hebben om met u tot een opbouwende dialoog te komen.

Mooi. Wel een dialoog dus, géén samenzang. Die dialoog, de dialoog tussen accountant en toezichthouder, moet zo helder, scherp en klinkend zijn dat de stake- en shareholders, wij allemaal dus, ons natuurlijk vertrouwen in de accountants weer kunnen hervinden. Het lijkt me iets dat het proberen meer dan waard is.


Dank u wel.

Waarom eigenlijk? Heeft toezicht op accountants toegevoegde waarde?


Nordemann Lezing 2003

door Mr. Arthur Docters van Leeuwen, Bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten


Amsterdam  19 September 2003



 Mr. Docters v Leeuwen

< vorige spreker  -  volgende spreker >