Home


Professor Nordemann


Nordemann Lezing


Sprekers


Aanmelden Lezing


Aanmelden Nieuwsbrief


Recensies


Contact


Secretariaat


Adres


E-mail

David Tweedie


Karel van Hulle


Docters van Leeuwen


Jaap Peters


Paul Koster


Jan Hommen


Jeroen van der Veer


Onno Ruding


Peter Hartman


Dick Sluimers


Jan Nooitgedagt


Uitnodiging

In 2005 eisen financiële markten een véél hoger niveau van transparantie, accountability en gewetensvolle invulling daarvan, als antwoord op alle debacles van de laatste jaren in Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. In 2005 lijkt aan de oppervlakte het accountantsberoep in een goede uitgangspositie om aan die hogere eisen te voldoen. Tenslotte nemen de inkomsten, mede dankzij nieuwe wetgeving in alle belangrijke financiële centra sterk toe. Voor het eerst in twintig jaar is accountancy weer de belangrijkste activiteit en zijn stappen genomen, door wetgevers, beroepsorganisaties en firma’s, om het vertrouwen in accountants te herstellen.


Toch is er bij nadere analyse sprake van een voortdurende, acute, penibele situatie in het accountantsberoep die grote repercussies kan hebben voor de toekomst van het vak. De teloorgang van Arthur Andersen en de daardoor ontstane angst voor het voortbestaan van de overgebleven Big Four ligt daaraan ten grondslag.


Het beroep is zwaar gehavend uit de laatste crisis gekomen. De hervormingen die zijn doorgevoerd door wetgevers en beroepsorganisaties, reform follows public crisis, zoals auditor-roulatie en het verbieden van bepaalde activiteiten van de accountant, en extern toezicht, zijn belangrijke stappen in het vertrouwensherstel. Maar accountantsorganisaties moeten zich in deze kwetsbare tijd zelf een fundamentele vraag stellen. Zijn deze structurele hervormingen voldoende om aan de eisen van accountability en transparantie te voldoen?


Accountability


Er is de laatste jaren op het gebied van hervormingen al het nodige gebeurd. De druk om bepaalde activiteiten af te stoten na de debacles als Enron en Worldcom heeft geleid tot een gedeeltelijke afsplitsing, met name van de IT-activiteiten. Maar dat is onvoldoende. De financiële markten verwachten helderheid en duidelijkheid en die kunnen de accountants geven door het volledig loskoppelen van de kerntaak, de controlewerkzaamheden, van andere werkzaamheden.


Het is opvallend als je naar de geschiedenis van accountants kijkt hoe weerbarstig dit beroep is en hoezeer eerdere hervormingsinitiatieven door zware lobbyactiviteiten zijn gestrand. Ik wijs alleen maar op een eerdere poging in de jaren zeventig om extern toezicht te introduceren na, ook toen, een aantal grote schandalen. De gevolgen van uitstel van hervormingen zijn evident. Het accountantsberoep heeft de laatste jaren het vertrouwen zien afbrokkelen en politici en wetgevers hebben wereldwijd ingrijpende veranderingen doorgevoerd. Extern toezicht is daar het beste voorbeeld van en dat zal ook in Nederland vanaf 2006 plaatsvinden om ook hier dat geschonden vertrouwen te herstellen. Een verdere uitholling en afbrokkeling van vertrouwen is immers voor financiële markten onacceptabel.


Accountants leven bij de gratie van de wetgever. Daar waar het beroep medeverantwoordelijk wordt gehouden voor de schandalen hebben de accountants, naast de afgedwongen hervormingen, ook hun rol zien groeien, en daarmee hun inkomsten, door die wetgever. Sarbanes-Oxley en Tabaksblat hebben nieuwe eisen gesteld aan ondernemingen waar accountants over moeten rapporteren. Dat is een logische keuze van de wetgever. Echter, dan mag het beroep niet nog een keer tekortschieten, zoals in de vorige eeuw in de jaren negentig.


Accountants vertegenwoordigen, met hun activiteiten, een specifiek belang en meer in het bijzonder een economisch belang. Zij zijn in het agency-model, waarmee ik doel op de scheiding tussen eigendom en management, voor de eigenaren de schakel die de integriteit van de financiële rapportage door het management moet bewaken. De accountant is de ‘agent’ waar investeerders moeten kunnen vertrouwen, het moet de schakel zijn tussen het bestuur van de beursgenoteerde vennootschap en de eigenaren. De rol van de accountant kun je zien als de extra bescherming die aandeelhouders zoeken als antwoord op het agency-probleem.


De splitsing tussen eigendom en uitvoering en controle op de activiteiten ligt aan de basis van het vertrouwensvraagstuk dat is ontstaan de laatste jaren. Corporate governance richt zich op het verzekeren van toegang tot informatie voor de aandeelhouder, die niet fout of misleidend is. In die keten zorgen meerdere participanten voor een bijdrage aan die verzekering. Denk aan beursautoriteiten, toezichthouders en, primair, aan commissarissen. Maar ook de accountant.


Dat maakt het beroep een spil in het economisch verkeer en geeft het beroep een hoge morele waardigheid, in de woorden van socioloog Durkheim. Die hoge morele waardigheid dwingt de accountant tot ethisch gedrag. Dat betekent: gedrag gebaseerd op een scherper dan gemiddeld bewustzijn voor ethisch denken en handelen. En hier is het, getuige de debacles van de laatste jaren, fout gegaan.


De huidige moraal is onvoldoende geweest en niet in lijn met de hoge ethische eisen waaraan de accountant moet voldoen. Daar waar de accountant optreedt voor het brede economische belang en de verplichtingen die dat met zich meebrengt moet honoreren, heeft de accountant nevenactiviteiten opgepakt, die mooi aansloten bij de accountantsorganisaties, althans op papier. Juist die extra werkzaamheden hebben die verplichtingen ondermijnd. Want zodra de accountant, de firma, optreedt in een nevenactiviteit met slechts het ‘enge’ belang van de cliënt voor ogen, ontstaat een vruchtbare grond voor conflicten in het ethisch handelen en denken. Want wat goed is voor de cliënt hoeft niet noodzakelijkerwijs goed te zijn voor het brede belang. Welk belang prevaleert in deze tegengestelde situatie, is al snel onduidelijk. Dit is dan ook de eerste reden waarom accountants nevenactiviteiten die buiten de controle vallen, moeten afstoten. Accountants moeten duidelijker en transparanter zijn over welk belang zij vertegenwoordigen en daar invulling aan geven door de afsplitsing, en niet de markt laten raden welk belang (dit keer) heeft geprevaleerd.


Dit brengt mij bij de tweede reden om deze splitsing in het accountantsberoep door te voeren. Accountantsfirma’s moeten bescherming bieden aan hun medewerkers. Socioloog Durkheim wees er al op dat het instituut de richting wijst en de bescherming biedt die een individu nodig heeft. Het is dus het instituut, een groep personen die zijn verenigd voor het nastreven van een complexe activiteit die plaatsvindt onder een ‘legal charter’, waarbij de mensen zijn getraind en voorbereid om de activiteit uit te oefenen, die de bescherming moet definiëren. Wanneer de leiding van het instituut ambivalentie laat bestaan over de hoofdactiviteit biedt zij die bescherming niet. Dit gebeurt alleen als de houding van de personen verandert die de nieuwe situatie accepteren en door de leiding worden gesteund.


In een dergelijke associatie ontstaan ideeën, idealen, gewoontes en ethische normen, die tezamen een eenheid vormen, een cultuur. Daarin participeren ook de accountants. Deze accountants, in die gedachtegang, hebben sociale gevoelens, maar kennen ook bindende gedragsregels van specifieke aard en een daaraan corresponderend beroep op hun ethiek, naast bijvoorbeeld belastingadviseurs die vanuit hun professie andere opvattingen hebben. De morele verplichting is niet herleidbaar tot een natuurlijke neiging. De mens maakt zich de verplichting en gevoelens pas eigen door herhaalde eigen observatie. Door gewoonte wordt de verplichting als het ware geïnternaliseerd en dat leidt tot ethische solidariteit in de groep. En dit is waar de accountantsfirma’s in hun huidige opzet serieus tekortschieten in de richting van individuele partners en medewerkers, omdat er niet één ijkpunt is voor het juiste morele gedrag.


Want in het huidige business-model krijgt de medewerker geen eenduidige richting voor het juiste gedrag. De accountant moet in het agency-model altijd de belangen van de gebruiker van de financiële informatie centraal stellen; in de financiele markt is door de wetgever die uiterst cruciale rol toebedeeld aan de accountant. Maar bij andere activiteiten, zoals belastingadvies, staat de cliënt centraal en is de hoge morele waardigheid beperkter. En ook al is er in principe een grens bij het naleven van de wet, in het belang van de cliënt zoekt men die grenzen op. Kortom, die twee activiteiten zijn daarom niet te combineren op een manier die een ethische solidariteit ondersteunt. De gevaren liggen om de hoek en zijn recentelijk ook nog eens duidelijk geëtaleerd, waarbij de verschillen in de gehanteerde beroepsnormen naar boven kwamen.


Een recent voorbeeld van de gigantische kosten die fouten in de financiële rapportage in het agency-model met zich meebrengen maakt het voorgaande nog duidelijker. Fannie Mae, de grootste hypotheekverstrekker van de Verenigde Staten, moet haar jaarrekeningen van 2001 tot 2004 aanpassen. Op allerlei fronten zijn de gevolgen van de vereiste aanpassingen simpelweg overrompelend. Zo zijn de CEO en de CFO ontslagen en is een rechtszaak niet uitgesloten. Het Congres wil met de Fed de omvang van Fannie Mae aan banden gaan leggen. De interestkosten op uitstaande leningen zijn omhoog geschoten. De aandelenprijs is meer dan 20 procent gedaald. De kosten van alle aanpassingen in 2005 worden geschat op 450 miljoen dollar. Twintigduizend derivatencontracten moeten worden herbeoordeeld. En, tot slot, loopt de onderneming het risico van de NYSE te worden verwijderd als de deadline van 2006 voor de nieuwe jaarrekeningen niet wordt gehaald.


Het nut van de accountant die dit mede kan helpen voorkomen kan na deze opsomming toch niet betwijfeld worden. Maar dan moet het beroep zich een ander, hoger ambitieniveau aanmeten en kan het zich niet permitteren de belangen van de twee verschillende doelgroepen na te streven en te waarborgen.


De leiding van een accountantfirma mag dus geen ambivalentie laten bestaan over wat de hoofdactiviteit is. De hoofdactiviteit is optreden als accountant in het agency-model en daarbij de belangen van de financiële markt te waarborgen. Dat betekent het loslaten en afscheiden van alle nevenactiviteiten. Dat impliceert eveneens dat er geen varianten op het model worden toegelaten, zoals bijvoorbeeld audit en niet-audit cliënten definiëren waarbij wel andere activiteiten worden toegelaten bij de niet audit-klanten. Dit soort varianten maken een latere toelating als audit-cliënt zeer lastig en beladen met onafhankelijkheidsissues. Zeker in het licht van IFRS, waarbij steeds meer op marktwaarde moet worden gewaardeerd en adviezen op dat gebied later een rol kunnen spelen in het audit werk. ‘Afkoelingsperiodes’ zouden bij de overgang van niet-audit- naar auditklant een oplossing kunnen bieden op weg naar de ideale situatie.


De derde reden voor het isoleren van de maatschappelijk belangrijke controlefunctie van de accountant van andere belangen, ligt in het verlengde van de eerste twee. De introductie van nieuwe accounting standaarden in 2005 heeft het accountantsvak een nieuwe dimensie gegeven die een extra beroep doet op de ethische normen die een accountant dient te volgen. De IFRS-standaarden laten met hun principle-based karakter grote ruimte voor interpretatie en hoewel dat vaak als een groot voordeel wordt genoemd, zal dat een sterk beroep doen op de rol die de accountant in het agency-model moet vervullen. De accountant zal vaker worden geconfronteerd met een cliënt die onder IFRS de grens wil opzoeken van ‘wat nog net kan’. Dat dient het smallere belang van de cliënt, maar de accountant zal daar in het brede, algemene belang zéér kritisch in moeten zijn en véél vaker corrigerend moeten optreden. Het gevaar bestaat dat die afweging niet helder gemaakt kan worden als op andere gebieden, zoals belastingadvies – of waarderingsadvies, de grens wel is opgezocht en geaccepteerd. Een accountant moet zich daarom kunnen richten op één moreelverantwoord doel naleven. En dan zal hij niet moeten worden geconfronteerd met verschillende interpretaties binnen dezelfde firma.


Het principe (de ‘principle’) moet in Kantiaanse termen een principe voor iedereen zijn, waarbij de hoofdrichting bepalend is. De interpretatie mag géén geweld doen aan deze hoofdrichting. De hele corporate governance-keten zal daarop moeten toezien, maar de accountant heeft daar een zéér prominente rol in. Die zal moeten optreden als de imperfecte manager – om Adam Smith aan te halen – flexibel wil zijn en meent het principe niet aan te tasten met een financiële uitkomst die het management goed uit komt (convenieert). Dat bevestigt de eerder gesignaleerde noodzaak om als accountant volstrekt onafhankelijk te zijn ten opzicht van de cliënt, waarbij op geen enkele manier voeding kan worden gegeven aan een tegengestelde prikkel.

En dat maakt de Kantiaanse kanteling compleet. Want de ‘rule’ moet zijn ‘volstrekte onafhankelijkheid’ en die regel moet worden nageleefd omdat het een regel is zonder enige twijfel, zonder enige uitzondering, zelfs als dat een structurele wijziging betekent ten opzichte van het huidige model.

Het enorme belang van het juiste en hogere ambitieniveau van het management van accountantsfirma’s om de hoge morele waardigheid en morele stabiliteit te kunnen waarborgen, is helder verwoord in de recente uitspraak in de Disney-rechtszaak in de Verenigde Staten. De zaak draaide om de benoeming en het vrij snel daaropvolgende peperdure ontslag van een directeur, halverwege de jaren negentig, min of meer een solo-actie van topman Eisner.


In het recente vonnis werd de toezichthouders verweten niet aan de best practices op corporate governance gebied te hebben voldaan en hoewel dat op zich niet strafbaar is, gaf rechter William Chandler duidelijk aan dat de bestuurders in de toekomst rekening moeten houden met die best practices en daarop zullen worden afgerekend. Dat is in mijn ogen hetzelfde potentiële verwijt aan de accountants. Ze schieten tekortten opzichte van het hogere ambitieniveau dat in het maatschappelijke verkeer is gewenst.


‘The goalposts have shifted’ en accountants moeten zich met het nieuwe business model, enkel en alleen accountantswerkzaamheden, naar dat hogere niveau bewegen. Ook al eist de wetgever het nu niet, nog niet, de tekenen wijzen er duidelijk op dat het geduld bij politiek, wetgevers en toezichthouders zéér zwaar op de proef is gesteld en dat eigen initiatief van de branche zal worden toegejuicht. Bij nieuwe problemen zal de meetlat van ‘accountability’ aanzienlijk hoger liggen, met alle risico’s van dien. De vraag over het voortbestaan van de rol van de accountant moet openlijk gesteld worden.


De vierde reden ligt in de onwenselijke situatie die ontstaan is na de ondergang van Arthur Andersen. Voor de internationale ondernemingen is het aantal keuzemogelijkheden voor een accountant met slechts vier firma’s veel te beperkt. Iedere volgende firma van dit viertal die zou verdwijnen zal het concurrentiemodel in de accountancy onwerkbaar maken. Accountantsfirma’s hebben dan ook een plicht in het mitigeren van de risico’s dat dat zal gebeuren. Dat betekent dat activiteiten buiten de accountancy de risico’s op ongewenst gedrag en de daaraan klevende juridische consequenties breder en dieper maakt. Belastingadvies waarbij het belang van de cliënt voorop staat kan zonder meer strijdig zijn met het belang van de financiële markt, qua transparantie en conservatisme. Die risico’s zijn recentelijk in de Verenigde Staten zichtbaar geworden, waarbij het gedrag van de belastingafdeling de hele firma blootstelde aan ernstige voortbestaansrisico’s.


Het is de laatste jaren meerdere keren aangetoond dat de ondergeschikte rol van accountancy binnen de firma’s heeft geleid tot het ernstig tekortschieten van accountants in hun taakuitoefening, met alle consequenties van dien. Accountants zijn schoorvoetend begonnen met herstel van vertrouwen in hun primaire taak. Maar dat is nog steeds onvoldoende om het vertrouwen volledig te herstellen. Wetgeving loopt altijd achter marktontwikkelingen aan, maar daar is het op dit belangrijke punt in het vertrouwensherstel niet het moment voor om op te gaan wachten. Accountants moeten zelf besluiten, als eenduidig antwoord op hun cruciale plek in het agency-model, om alle activiteiten buiten accounting af te scheiden. Alleen op die manier kan de accountant in de toekomst echt werk maken van zijn belangrijke, maatschappelijke rol in het economisch verkeer en op die manier het verloren vertrouwen terugwinnen.


Zij zouden zelf moeten besluiten, als eenduidig antwoord op hun cruciale plek in het agency-model om alle activiteiten buiten accounting af te scheiden, daarmee het reële risico afwenden dat een van die nevenactiviteiten de aanleiding vormt tot een strafzaak C vervolging van de hele firma. Bovendien, en dat is de reden die uit mijn toezichtshart komt, is het gedeeltelijk verbieden van bijvoorbeeld belastingadvies een handhavingsnachtmerrie. De druk van toezichthouders zal toenemen wanneer kunstmatig gedreven beperkingen in activiteiten worden aangelegd om de markt toch vertrouwen te geven dat individueel de bij wet verboden onderdelen niet meer actief zijn.


Transparantie


Daar waar financiële informatie steeds moeilijker te doorgronden wordt –door steeds complexere accounting standaarden- neemt de toegevoegde waarde op het gebied van transparantie van de accountant eigenlijk af.


Accountantsverklaringen zijn inerte, statische verklaringen waar de markt nauwelijks waarde in ziet voor de verantwoordelijkheid. Het gaat voor de markt om de werkzaamheden (de uitvoering daarvan) en of die helpen in het overbruggen van de kloof tussen management en aandeelhouder. Accountants geven nu toe dat er meer gezegd kan worden over de interne controle en ernstige fraude in de financiële rapportage. Maar dat is niet het verwachtingspatroon dat de markt heeft waar het gaat om accountability naar de markt toe. Dat blijft, met alle goede pogingen van de FASB en IASB ten spijt, toch onder de maat.


Transparantie


Markten zoeken naar veiligheid en stabiliteit en daar spelen kredietbeoordelaars een centrale rol. Accountants daarentegen communiceren nauwelijks met de markt, waar zij juist in een excellente positie verkeren om dat wel te doen. Tabaksblat heeft daar op ingespeeld door accountants te vragen op de aandeelhoudersvergadering desgevraagd vragen te beantwoorden van aandeelhouders. Maar dat is qua accountability toch nog te beperkt. Ik pleit daarom voor een nieuwe paragraaf, de ‘accountant discussion and analysis’ (AD&A) in het jaarverslag, in aanvulling op de accountantsverklaring over de jaarrekening en analoog aan de ‘management discussion and analysis’ (MD&A). In die paragraaf zal de accountant een eigen beschrijving moeten geven van de financiële omgeving van de onderneming. Dat betreft een eigen toelichting op belangrijke ratio’s; op de financiële performance en waarom marges konden verbeteren en wat de accountant daar aan extra controle heeft gedaan.


Een eigen toelichting op de governance omgeving en hoe de accountant die ervaren heeft –het functioneren van de audit comittee in het bijzonder- en de aandachtspunten voor de komende jaren zoals de belastingpositie, alsmede de beoordeling van het risiscomanagementsysteem en de evolutie daarin.


Kortom, een beter inzicht in de aspecten die ook, in meer detail, zijn besproken met het audit comité, en een toelichting op de eigen additionele werkzaamheden in het licht van bevindingen en financiële ontwikkelingen ten opzichte van concurrenten, alsmede een toelichting op de accounting policies (beleid) en de keuzes die daarin zijn gemaakt.


Dat is communicatie die de accountant als geen ander kan doen in het agency-model en waarmee toegevoegde waarde ontstaat voor de financiële markt en de extra werkzaamheden in het kader van SOX en Tabaksblat zich terugbetalen in een verdieping van de rapportage aan aandeelhouders. De verantwoording die dan wordt afgelegd is er een waar de financiële markt op dit moment in het agency-model geen toegang heeft.


Het zal een vorm van communiceren zijn die over de jaren heen steeds beter zal worden en waar verbeteringen, verdiepingen zullen worden toegejuicht. En met het groeien van de complexiteit in financiële rapportages zal de MD&A met deze AD&A aan gewicht winnen en helpen het agency-model en de rol van de accountant veilig te stellen, vooropgesteld dat accountants, zoals hiervoor besproken, bereid zijn accountancy weer de prominente rol te geven die het verdient en alle andere aanpalende activiteiten over te laten aan andere professionals.


Samengevat: accountants moeten terug naar de kerntaak. Ze zullen alle nevenactiviteiten moeten afsplitsen van hun maatschappelijke taak van controleur, juist om hun reden van bestaan binnen het agency-model te waarborgen. De markt vraagt om informatie die ze kunnen vertrouwen, zeker na een periode van perikelen en schandalen.

De redenen om dit te doen zijn helder. Allereerst moet er meer duidelijkheid komen over de belangen die ze vertegenwoordigen. Ten tweede is binnen de associatie van individuen die een accountantsfirma is, eenduidigheid nodig, ook in de leiding, om bedreigende belangentegenstellingen te voorkomen. Ten derde is met de komst van IFRS het beroep op de ethische normen van de accountant toegenomen. Tot slot is er in de wereldwijde markt met 4 grote firma’s een dreigend probleem als er door tegengestelde belangen nog een van de big four zou omvallen.

De renaissance van de maatschappelijke rol van de accountant, noodzakelijk om eerder genoemde redenen, zou tot slot naar voren moeten komen in aanvullende informatie in het jaarverslag van de gecontroleerde vennootschap. Want dan vervul je de rol die de maatschappij in het algemeen en de financiële markten in het bijzonder van je vragen. En zonder transparantie kan er geen sprake zijn van accountability.


Dank u wel.


De Kantiaanse Kanteling van het Accountsberoep.


Nordemann-lezing 2005

door Mr. Paul M. Koster RA, Bestuurslid van de AFM


Amsterdam  16 September 2005

 Mr. Paul Koster

< vorige spreker  -  volgende spreker >