Home


Professor Nordemann


Nordemann Lezing


Sprekers


Aanmelden Lezing


Aanmelden Nieuwsbrief


Recensies


Contact


Secretariaat


Adres


E-mail

David Tweedie


Karel van Hulle


Docters van Leeuwen


Jaap Peters


Paul Koster


Jan Hommen


Jeroen van der Veer


Onno Ruding


Peter Hartman


Dick Sluimers


Jan Nooitgedagt


Uitnodiging

Dames en heren,


Om te zeggen dat het afgelopen quinquennium een enerverende periode was voor de accountantsprofessie is een understatement. Vijf jaar geleden, in de herfst van 2001, was de ontrafeling van Enron in volle gang. U weet allen hoe dramatisch de nasleep van deze en andere affaires de accountantswereld heeft beïnvloed. Ook de invoering van IFRS heeft de afgelopen jaren zijn sporen nagelaten, met name in Europa.


Accountants hebben zich de laatste jaren dan ook fundamentele vragen gesteld over hun beroep: welke taken moeten we vervullen, welke niet? Hoe onafhankelijk kunnen en willen we zijn van onze cliënten? Hoe moet het toezicht op accountants worden georganiseerd? Voor zover deze vragen niet spontaan opkwamen bij accountants zelf, zorgde de Boze Buitenwereld er wel voor dat ze niet om deze kwesties heen konden.


Er kwamen veel nieuwe wetten, regels en instituties: Sarbanes-Oxley en de PCAOB in de VS, de Code Tabaksblat en toezicht op accountants door de AFM in Nederland, om er maar een paar te noemen. In de praktijk blijkt echter dat er nog steeds flink gediscussieerd wordt over de fundamentele vragen. We zijn er met z’n allen nog niet uit.


Vanmiddag zal ik proberen een bescheiden bijdrage te leveren aan het debat over de rol van de externe accountant in onze economie. Als man van de praktijk wil ik dat doen met een concrete invalshoek: hoe kunnen we in Europa zorgen voor sterke en diepe kapitaalmarkten die efficiënt werken? Ik heb gedurende mijn carrière als CFO gewerkt bij beursgenoteerde ondernemingen in zowel de VS als in Europa en het is mijn stellige overtuiging dat Europa zijn kapitaalmarkten zo krachtig en open mogelijk moet maken zodat ze een gezond alternatief kunnen vormen voor Wall Street. Naast goede, heldere regelgeving voor de dagelijkse praktijk vraagt dat om een sterke toezichthouder, om een duidelijke set van accounting standaarden en om uiterst professionele en onafhankelijke accountants.


Dit Europese tegenwicht is nog te zwak met name op de aandelenmarkten. Op andere financiële markten neemt Europa al een vooraanstaande, stevige positie in. De Europese obligatiemarkt bijvoorbeeld is diep, breed en gemakkelijk toegankelijk. Niet alleen voor ondernemingen, ook voor overheden en andere instellingen die hun zaken goed op orde hebben. Deze obligatiemarkt is efficiënt en deskundig, maar zeker niet te zwaar gereguleerd. De invoering van de euro heeft deze markt duidelijk verder versterkt en bij elkaar gebracht, een waar succesverhaal. Ook op de valutamarkten is Europa sterk, al heeft de euro nog niet de functie als wererldwijde reservevaluta gekregen die velen hadden verwacht. De weinig verheffende discussies tussen de Eurolanden over de toepassing van het Stabiliteitspact hebben in deze ongetwijfeld een negatief effect gehad. Ook op de grondstoffenmarkt staat Europa sterk met de London Metal Exchange (LME).


De aandelenmarkten zijn een ander verhaal. De Amerikaanse aandelenmarkten zijn van oudsher dieper en aantrekkelijker dan de Europese, zowel voor lokale ondernemingen als ondernemingen uit andere regio’s in de wereld. De verdeeldheid speelt Europa hier duidelijk parten, net als het relatieve wantrouwen ten aanzien van beleggingen in aandelen. Dat gebrek aan vertrouwen hangt natuurlijk nauw samen met versnipperd en lange tijd onprofessioneel toezicht, verschillende accounting standaarden en onduidelijke regelgeving, hoewel op deze gebieden recentelijk veel verbeterd is. De directe kosten van een beursnotering liggen in de VS hoger dan in Europa, gezien de forse underwriting fees op Wall Street. Toch zijn er veel Europese bedrijven die voor hun eerste internationale notering niet gekozen hebben voor de London Stock Exchange – Europa’s meest internationale beurs – maar voor Nasdaq of de New York Stock Exchange. De Amerikaanse suprematie bleek het afgelopen jaar ook weer bij het internationale overnamespel tussen aandelenbeurzen. De kans is groot dat Euronext wordt gekocht door de New York Stock Exchange en dat Nasdaq de London Stock Exchange inpalmt.


De aantrekkingskracht van Wall Street als aandelenmarkt heeft recentelijk echter een deuk gekregen door de zware lasten die Sarbanes-Oxley aan genoteerde ondernemingen oplegt, zowel Amerikaanse als niet-Amerikaanse. Ook ergeren bedrijven zich aan de lijvige ‘rulebooks’ van de Amerikaanse beurzen. Bovendien vormt de toenemende juridificering van de Amerikaanse maatschappij en economie een steeds zwaardere ballast voor de Amerikaanse aandelenmarkten, omdat in de VS de vaak extreme civielrechtelijke boetes de aansprakelijkheidsrisico’s van genoteerde ondernemingen – maar ook van bij hen betrokken partijen als accountants - flink verhogen. De afgelopen twee jaar vonden er daarom relatief weinig internationale IPO’s in de VS plaats, relatief veel in Azië en Europa. De London Stock Exchange telt inmiddels een flink aantal bedrijven uit landen als China en India op haar lijst van internationale noteringen. Dit is hoopgevend en relevant. Groei zal de komende decennia vooral plaatsvinden in opkomende markten. Dit zal in landen als China, Rusland, India en Brazilië leiden tot versterking van de lokale aandelenmarkten, maar de sterke ondernemingen in deze landen zullen ook de kapitaalmarkten van Europa of de VS willen aanboren. Wij moeten ervoor zorgen dat Europa voor hen een aantrekkelijk alternatief is.


De Amerikanen zelf onderkennen uiteraard hun recente verlies aan concurrentiekracht. Onlangs is op Wall Street bijvoorbeeld een officieuze commissie van wijze mannen gevormd die moet gaan kijken welke aspecten van Sarbanes-Oxley moeten worden teruggedraaid. Ook wordt er al jarenlang gepraat over radicale wijziging van het rechtssysteem. Maar net als in Europa is het ook in de VS politiek niet gemakkelijk om snel een fundamenteel anderekoers in te slaan.


Het is daarom belangrijk dat Europa dit moment benut en nu in actie komt omzijn eigen aandelenmarkt aantrekkelijker te maken. Niet voor niets is versterkingen integratie van de Europese kapitaalmarkten een van de belangrijkstedoelstellingen van de Lissabon-agenda om de concurrentiekracht van Europa tevergroten. Een sterke Europese aandelenmarkt is in het belang vanondernemingen, maar ook van accountants en toezichthouders: zonder zo’nsterke eigen markt zullen wij in relevante internationale discussies altijd hetkleine broertje van Wall Street en Washington blijven. Geld staat nog altijd voormacht, zeker in het internationale economische verkeer. Net als andere marktenglobaliseren onze aandelenmarkten, maar voorlopig zullen regionale krachten eninstituties op die globale markten een doorslaggevende rol blijven spelen. Europamoet daar zijn mannetje staan.Versterking van onze regionale aandelenmarkt vereist diverse stappen. Tedenken valt aan het creëren van één Europese markt, inclusief hechteresamenwerking of zelfs fusie van de nationale toezichthouders op hetaandelenwezen. We moeten natuurlijk resoluut alle resterende statutaire en nietstatutairebarrières voor echt vrij kapitaalverkeer in Europa slechten. Hierbij kande hangende EU-Richtlijn over financiële dienstverlening een beslissende rolspelen.Maar, dames en heren, ook een efficiënte en constructieve organisatie van deaccountantsprofessie kan en moet zijn steentje bijdragen. Dat er na de diverseaffaires in de VS en Europa aan het begin van dit decennium iets moest veranderen was wel duidelijk. Er konden minstens twee duidelijke conclusies worden getrokken: A. zelfregulering van de accountants met nauwelijks enig extern toezicht als ‘back up’ werkt onvoldoende en B. externe accountants moeten hun consulting-activiteiten drastisch beperken om belangenconflicten te voorkomen. De vraag is simpel: Hoe vindt de accountant zijn rol en status als “Hoeder van het MaatschappelijkVerkeer” weer terug? Effectief extern toezicht op de accountantsbranche is een noodzaak, maar hoe organiseren we dat?. In de VS wordt ‘toezicht’ in de praktijk niet alleen uitgeoefend door de na Enron opgezette PCAOB en door de SEC, maar ook door de markt via de rechter die vaak draconische boetes oplegt in civiele procedures tegen accountants. Het systeem van gekozen of politiek benoemde rechters en van makkelijk te beïnvloeden juries zorgt regelmatig voor ‘jackpot justice in a hell hole’, waar bedrijven zowel als accountants de dupe van worden. Niet voor niets doen de Grote Vier pogingen om hun klanten-risicoprofiel te reduceren; niet iedere klant is meer welkom. Onder Amerikaanse toezichthouders en wetgevers bestaat een zekere neiging om hun toezicht tot over de eigen grenzen toe te passen. De PCAOB bracht enkele weken geleden plots een bezoek aan Ernst & Young in Londen, wat tot grote opschudding en verontwaardiging in de City leidde. Het was natuurlijk niet zo handig van de Amerikanen om zo’n gevoelige snaar te raken in een periode dat er een bod van Nasdaq op de London Stock Exchange in de maak is.


De fundamentele vraag is door wie wij in Europa het toezicht op de accounting professie willen laten uitoefenen. Geven we die taak stilzwijgend, langzaam maar zeker over aan de PCAOB? Zou dat er niet toe bijdragen dat de definitie van de standaarden zelf en de organisatie van onze aandelenmarkten steeds meer beïnvloed worden door FASB en SEC? Ik zou zo denken dat we het toezicht in Europa zelf willen organiseren. Adequaat en professioneel, maar volgens de culturele en juridische normen van ons eigen bestel. Efficiënt en afdoende toezicht is onontbeerlijk, wil de markt kunnen vertrouwen op de financiële rapportage door beursgenoteerde ondernemingen. Het is daarbij noodzakelijk om de onafhankelijkheid van de externe accountant volledig te waarborgen; om iedere vorm van belangenverstrengeling te voorkomen; en om kwaliteit te kunnen garanderen. Maar ik krijg de indruk dat we, zeker in de VS, soms te ver zijn doorgeslagen bij de invulling van deze principes. De herinrichting van het toezicht heeft accountants angstig gemaakt. Men durft niet meer in het eigen oordeel te vertrouwen en is bang voor een open relatie met de cliënten, hoewel diezelfde cliënten steeds duurdere rekeningen moeten betalen. Dat kan niet de bedoeling zijn. We moeten hier in Europa de juiste middenweg proberen te vinden. We zouden in Europa een dubbel systeem van toezicht kunnen creëren. Een eerste systeem van zelfregulering, waarbij de professie zelf de kwaliteit van het beroep permanent bewaakt, onder andere via aangepaste trainingen en opleidingen. Daarnaast zie ik dan een onafhankelijke toezichthouder die

controleert hoe het beroep in de praktijk wordt toegepast en uitgeoefend en die waar nodig snel en slagvaardig optreedt. Op het gebied van bestraffing van accountants denk ik veel meer aan administratieve boetes door de toezichthouder, in combinatie met beperkte civiele aansprakelijkheid via de rechter. Natuurlijk moet een potentiële boete hoog genoeg zijn om een afschrikwekkende functie te hebben, maar de soms exorbitante vonnissen in de Amerikaanse rechtspraak zijn absurd. We zouden kunnen denken aan een beleid van “three strikes and you’re out”. Als een accountantskantoor binnen een bepaalde periode driemaal op de vingers wordt getikt door de toezichthouder, zou zo’n kantoor voor een forse periode een verbod kunnen worden opgelegd op het aantrekken van nieuwe klanten. Zo’n maatregel brengt het voortbestaan van het kantoor niet in gevaar, maar wordt door de partners natuurlijk financieel goed gevoeld. Als herboren “Hoeder van het Maatschappelijk Belang” zouden we kunnen denken aan een nieuwe, aanvullende rol voor de accountant: bijvoorbeeld men heeft de kennis in huis om de belastingaangifte van een onderneming te fiatteren! Controle van de externe accountant op niet alleen de jaarrekening maar ook de belastingaangifte zou tot aanzienlijke vereenvoudiging van het proces van belastingaangiften leiden met significante kostenbesparingen in de hele fiscale cyclus. Er zitten verschillende aspecten aan dit idee, o.a. dat de accountant zich bij deze onderneming niet kan bezighouden met tax planning, maar het verdient aandacht om daar eens goed naar te kijken. Waar we in Europa voor moeten uitkijken is voor ‘supervisory overload’ en voor te hoge eisen aan vorm en specifieke regels in tegenstelling tot inhoud en principes. Daarin kunnen we ons ook positief differentiëren van de VS, waar zoals gezegd veel Amerikaanse en niet-Amerikaanse bedrijven inmiddels kreunen onder Sarbanes-Oxley en volumes rule books. De toezichthouders op beursgenoteerde bedrijven eisen inmiddels gigantische hoeveelheden documentatie op het gebied van boekhouding, verslaglegging, externe controle; de vraag is of hier geen sprake is van overkill. Teveel en te streng toezicht kan een averechts effect hebben: externe accountants durven geen eigen, professioneel oordeel meer te geven; een open relatie tussen externe accountant en cliënt verschrompeld tot het angstvallig navolgen van regeltjes aan beide kanten. En als klap op de vuurpijl een hogere rekening. Als wij in Europa een goed evenwicht weten te creëren tussen regels en professionele vrijheid, tussen toezicht en openheid, tussen duidelijke principes en flexibele interpretaties, dan is dat goed voor onze aandelenmarkten. De bedrijven die in Europa noteren, zullen er veel baat bij hebben. Dit geldt zowel voor lokale als voor niet-Europese ondernemingen. Een goed kader van toezicht en regels verhoogt de concurrentiekracht van de Europese aandelenmarkt in de strijd om noteringen van ondernemingen uit opkomende markten. Zoals gezegd zullen regionale blokken nog geruime tijd een rol blijven spelen op de aandelenmarkten: Noord-Amerika, Europa, Azië, Latijns-Amerika. Staat u mij even toe stil te staan bij deze ‘wereld van de regio’s’ en de plaats daarin van externe accountants. We moeten mijns inziens toe naar een duidelijke driedeling tussen externe accountants die wereldwijd, regionaal of slechts nationaal opereren. Het toezicht moet hierop worden toegesneden. De Grote Vier zouden zich moeten beperken tot de echt globaal opererende ondernemingen die in meerdere regio’s aktief zijn of in meerdere regio’s een beursnotering hebben. De volgende ‘laag’ accountantskantoren kan zich concentreren op klanten die niet of nauwelijks verder gaan dan hun regio: Europese bedrijven in Europa, Noord-Amerikaanse bedrijven in Noord-Amerika. Deze regionale kantoren zouden slechts van doen hebben met regels en toezichthouders in hun eigen regio. Voor nationale spelers zou hetzelfde gelden, maar dan uiteraard op nationaal niveau. Er zijn verschillende variaties op dit principe mogelijk, waarbij de Grote Vier hun organisaties, en ook het toezicht daarop, langs deze lijnen organiseren. Zo’n driedeling zou diverse voordelen hebben. Allereerst verzwakt zo’n opzet het oligopolie van de Grote Vier. Hun machtspositie wordt ingeperkt, omdat hun.klantenkring beperkt wordt. Ik weet dat hier de nodige vertegenwoordigers van.de Grote Vier aanwezig zijn – en ik durf u zelfs te bekennen dat ik vrienden heb.onder partners van de Grote Vier! – maar u kunt zich voorstellen dat ik als man van het bedrijfsleven erg bezorgd ben over de stijgende rekeningen van externe accountants. Uiteraard is de stijging van de rekeningen deels het gevolg van de grotere hoeveelheid werk en van de groei van het aansprakelijkheidsrisico. Maar deels hangt deze stijging van de tarieven ook samen met het feit dat we van Grote Acht in een paar jaar tijd zijn gekrompen naar Grote Vier, terwijl de vraag naar accountantsdiensten wereldwijd allesbehalve met de helft kleiner werd. Een ander voordeel van deze driedeling is dat Europese bedrijven die niet buiten hun regio opereren of een notering hebben, niet meer hoeven op te draaien voor het aansprakelijkheidsrisico in de VS, omdat hun externe accountant niet op de Amerikaanse markt actief is. Dit leidt ertoe dat Europa ten volle kan profiteren van de voordelen van een – in vergelijking met de VS - beter kader voor de accountantsbranche. Een proces dat de afgelopen jaren velen heeft beziggehouden – en dat de accountantskantoren zeker geen windeieren heeft gelegd! – is de introductie van IFRS. Welke invloed heeft deze introductie gehad op de kracht van de Europese aandelenmarkten?


Laten we nog even recapituleren waarom Europa deze stap nam. In 2000 stelde de EU de Lissabon-agenda op om de concurrentiekracht van onze regio drastisch te verhogen. Een geïntegreerde financiële binnenmarkt kan daar een fundamenele bijdrage aanleveren. Het hanteren van één set van accounting standaarden in de hele EU draagt daar natuurlijk aan bij, want het bevordert de vergelijkbaarheid van financiële verslagen uit verschillende lidstaten, het verhoogt de transparantie voor de gebruikers en – last but not least – het verlaagt de kapitaalskosten voor het Europese bedrijfsleven. Een jaar na de introductie kunnen we constateren dat er geen grote ongelukken zijn gebeurd. Dat alleen al is een groot succes bij een operatie van een dergelijke.omvang. Ook is het natuurlijk positief voor de concurrentiekracht van de.Europese aandelenmarkten dat we nu allemaal dezelfde accounting standaarden gebruiken. Toch wil ik wel enige kanttekeningen plaatsen. Er is nog ruimte voor stevige verbeteringen.


De CEO’s van de Britse FTSE 100 (Footsie One Hundred) ondernemingenhadden volgens een artikel in de FT in augustus de volgende klachten. Financiële verslaglegging van ondernemingen is door IFRS uitgebreider en ingewikkelder geworden voor de lezer. Tegelijkertijd levert IFRS veel informatie op die niet erg relevant is, noch voor het management bij het leiden van de onderneming, noch voor beleggers en analisten bij het beoordelen van de onderneming. Verder vond men het proces van definiëren van standaarden te academisch en was men ongelukkig met de toegenomen volatiliteit van de financiële resultaten die toepassing van het fair value principe nu eenmaal met zich meebrengt. Soortgelijke klachten waren ook in Nederland te horen, inclusief een enkele suggestie om maar van de beurs te gaan. Ernst & Young heeft in een analyse eerder deze maand ook enkele kanttekeningen gemaakt bij de verder buitengewoon succesvolle introductie. Ook Ernst & Young wees op de complexiteit en het soms geringe praktische nut van IFRS. Daarnaast is er nog steeds duidelijk sprake van een nationale kleur bij de concrete toepassing van de standaarden, wanneer er ruimte is voor verschillende interpretaties. Meer in het algemeen wees Ernst & Young erop dat er vaak waardeoordelen moesten worden toegepast bij de selectie en toepassing van de diverse accounting principles, wat de consistentie en vergelijkbaarheid niet ten goede komt. Mijns inziens is dit echter in een aanvangsperiode onvermijdelijk. Wat mij betreft mag IFRS evolueren naar een nog meer principles-based systeem: meer dan 2.200 pagina’s aan standaarden is rijkelijk veel! Waar het op aankomt is om langzaam maar zeker alle interpretatieverschillen glad te strijken en weg te werken.


De hamvraag is wie voor die harmonisatie van de interpretatie gaat zorgen. Moeten we dat overlaten aan de toezichthouders, aan de SECs en AFMs van deze wereld? Of kunnen de accountants zelf hierbij een rol spelen? Mijns inziens is het zeker het overwegen waard om de externe accountants als “Hoeders van het Maatschappelijk Verkeer” een collectieve, pro-actieve rol te laten spelen bij de interpretatie van IFRS principes en regels die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, uiteraard in nauwe samenwerking met informatieverschaffers, toezichthouders en standaardzetters. Mijns inziens zou dit de kwaliteit van IFRS en snelle uniformering van de toepassing in Europa ten goede komen. Ook kunnen accountants ertoe bijdragen dat IFRS de zakelijke werkelijkheid in Europa beter afdekt; nu is dat niet altijd afdoende, bijvoorbeeld waar het gaat om cooperaties of de verzekeringsbranche.


Welke lessen hebben we geleerd van het hele proces? Aan de pluskant was het goed dat er een vastbesloten standaardzetter was en dat we via EU regulation imperfecte oplossingen op nationaal niveau voorkwamen. Enkele verkeerde initiatieven van de IASB konden tijdig worden teruggeblazen, al weet ik niet voor hoe lang... Verschillende stakeholders staken hun koppen bij elkaar en coördineerden hun input. Aan de minkant wil ik noemen dat er te weinig rekening is gehouden met het werk van de ondernemingen die hun input gaven De standaardzetters hadden voorts niet altijd voldoende begrip voor de moeilijkheden van praktische implementatie van de nieuwe regels. Verder lijken de standaarden meer toegesneden op één bedrijf dan op een onderneming met meer dan duizend dochtermaatschappijen. En men heeft de complexiteit en documentatievereisten onderschat. Denk bijvoorbeeld aan de papierwinkel die komt kijken bij documentatie van hedge accounting. Ik kan me voorstellen dat onder de aanwezigen hier maar weinigen zitten te wachten op een snelle, radicale modificatie van IFRS – ik in ieder geval niet! Stabiliteit en rust zijn uiteraard enorm belangrijk na de gigantische klus die introductie van IFRS voor iedereen betekende. Op termijn moeten we echter toch toe naar meer uniforme toepassing van IFRS in Europa, naar een reductie van de complexiteit, naar standaarden met meer practische relevantie voor de kapitaalmarkten. Krijgen we dat voor elkaar, dan verhogen we de aantrekkingskracht van de Europese aandelenbeurzen.


Dames en heren, De relatie van de externe accountant tot zijn cliënt, tot de onderneming waarvan hij de verslaggeving controleert, is de afgelopen jaren flink veranderd. Het feit dat de relatie tussen externe accountant, interne accountant, topmanagement en commissarissen nu zo in de belangstelling staat, is al iets nieuws. Ik heb mijn oude studieboeken er nog eens op na geslagen. Die hebben ettelijke verhuizingen – waaronder heen en terug over de Atlantische Oceaan – wonder boven wonder overleefd. Het is opvallend hoe in de jaren zestig en zeventig – ja, zo oud ben ik al – in deze studieboeken met geen woord werd gerept over de relatie accountant – commissaris. De externe accountant werd vrij simpel gedefinieerd als – u raadt het al – de “Hoeder ten behoeve van het Maatschappelijk Verkeer”, die er evenwel voor moest waken dat dat “maatschappelijk verkeer” niet al te veel waarde ging hechten aan zijn verklaring. Gebeurde dat toch, dan moest <ik citeer> “de accountantsstand maatregelen treffen om het vertrouwen tot een gerechtvaardigd peil terug te brengen.” <einde citaat>. Wat een heerlijk eenvoudige wereld, vindt u niet? Voor de rest ging vrijwel alle aandacht uit naar de inhoudelijke taken van de controle voorafgaand aan de verklaring. De vraag of externe accountants nevendiensten zouden moeten mogen verrichten, werd slechts voorzichtig opgeworpen. Willen zij het? Kunnen zij het? Mogen zij het? Niet alleen voor de accountants is er de laatste jaren veel veranderd. Hetzelfde geldt voor de commissaris. Zijn taak is zoals u weet veel zwaarder geworden en ook zijn relatie met de externe accountant is drastisch veranderd. Vroeger zagen de commissarissen van een bedrijf de externe accountant misschien één keer per jaar, bij de goedkeuring van de jaarstukken. De commissarissen vroegen dan beleefd aan de externe accountant of hij of zij nog wat op te merken had. Meestal werd dat gevolgd door het verzoek om het toch vooral kort te houden. Zoals u weet is dat nu wel even anders. Ik hoef u niet uit te leggen dat het contact van commissarissen – en uiteraard met name het Audit Committee – met de externe accountants nu veel intensiever en inhoudelijker is. Ik juich deze grotere betrokkenheid toe. Als dit betekent dat de commissaris veel meer uren aan zijn commissariaat kwijt is, so be it. Mijn zorg is wel dat de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de commissaris verveelvoudigd zijn, terwijl zijn beloning veel minder is toegenomen. Ik vrees dat voor velen het aanvaarden van een commissariaat steeds onaantrekkelijker wordt, ook al omdat goede kandidaat-commissarissen veel alternatieve tijdsbestedingen hebben. Maar net nu de commissaris – uit eigen beweging of gedwongen door nieuwe regels en mores – een intensievere relatie met de externe accountant aangaat, kruipt de externe accountant in zijn schulp. Dat is de ironie van het post-Enron tijdperk. Zoals ik eerder opmerkte is de externe accountant vaak onwillig om vrij te communiceren, juist nu de commissarissen hun werk willen doen. Is er teveel angst in de accountants-professie geslopen? Angst om tegen een van de duizenden regels te zondigen. Angst voor de interne technische afdelingen, die plotseling aan de macht gekomen zijn. Angst voor de juristen, vooral de Amerikaanse lawyers, die beletten om in een franke discussie met een onderneming iets te zeggen waarop men later in een rechtszaak ‘gepakt’ kan worden. Angst om een eigen interpretatie te geven aan een standaard, een interpretatie die voortkomt uit een specifieke ondernemingspraktijk. Angst, kortom, om het werk als extern accountant optimaal uit te voeren.


Dames en heren,


angst is een slechte raadgever. Laten we daarom proberen de rol van de externe accountant in Europa op een andere leest te schoeien. Op de leest van onafhankelijkheid, kwaliteit en afdoende toezicht, maar ook op de leest van een constructieve, open en flexibele relatie met de cliënt, met de beursgenoteerde onderneming. Pas dan kan de externe accountant zijn werk wèl optimaal uitvoeren. Pas dan kan de rol van de externe accountant positief bijdragen aan de concurrentiekracht van de Europese aandelenmarkten en dus aan de concurrentiekracht van de Europese economie. Nu is het goede moment om gezamenlijk een inspanning te leveren om die concurrentiekracht te vergroten. De tijd is rijp. Ik heb vanmiddag geprobeerd om enkele suggesties in die richting te geven, zonder enige pretentie uitputtend te zijn. Velen van u hebben ongetwijfeld eigen ideeën. Laten we proberen om die suggesties en ideeën te wegen en om te zetten in concrete voorstellen. En laten we dat snel doen: we moeten weer gaan ondernemen nu we de contrôles en de governance structuur van bedrijven zo drastisch hebben verbeterd, en daar hebben we de accountant bij nodig.


Ik dank u voor uw aandacht.

IFRS 2005 Big bang for Europe?


Nordemannlezing 2006

door Drs. Jan Hommen, Universiteit van Amsterdam


Amsterdam  22 September 2006




 Drs. Jan Hommen

< vorige spreker  -  volgende spreker >