Home


Professor Nordemann


Nordemann Lezing


Sprekers


Aanmelden Lezing


Aanmelden Nieuwsbrief


Recensies


Contact


Secretariaat


Adres


E-mail

David Tweedie


Karel van Hulle


Docters van Leeuwen


Jaap Peters


Paul Koster


Jan Hommen


Jeroen van der Veer


Onno Ruding


Peter Hartman


Dick Sluimers


Jan Nooitgedagt


Uitnodiging

Dr. Onno Ruding


Dr H.O.C.R. Ruding (1939) startte zijn loopbaan bij het Ministerie van Financiën. Hij was lid van de Raad van Bestuur van AMRO-bank, uitvoerend directeur van het IMF en Minister van Financiën in de kabinetten Lubbers I en II. Van 1992 tot 2003 was Onno Ruding vice-voorzitter van Citicorp/Citibank in New York. Vanaf 2002 zit hij de Board van het Centre for European Policy Studies (CEPS) voor. CEPS is grootste onafhankelijke denktank van Europa op het gebied van Europese integratie.


Onno Ruding is voorzitter van de Raad van Commissarissen van BNG en vervult commissariaten bij Corning Inc., Holcim en RTL-groep. Hij is adviseur van vele internationale organisaties waaronder de Trilateral Commission. Recentelijk was hij lid van de commissie Larosière, welk comité de Europese Commissie in februari 2009 adviseerde.


Deze beschouwing bevat enige aspecten van oorzaken en lessen van de financiële crisis, met voorstellen tot veranderingen die nodig zijn om herhaling van zo’n crisis te voorkomen. Gezien mijn lidmaatschap van de Commissie-Larosière zal het niet verbazen dat mijn analyse en standpunten veel overeenkomsten vertonen met die in het rapport van die Commissie.


BETERE OVERHEIDSREGULERING


Een van mijn conclusies is dat er op een aantal belangrijke en concrete onderwerpen dringend behoefte bestaat aan meer effectieve overheidsregulering en –toezicht. Dit hoeft echter niet altijd in te houden dat er meer regels en bevoegdheden moeten worden gecreëerd want dan ontstaat het gevaar van overregulering die remmend kan werken op economische groei en evenwichtige concurrentieverhoudingen. Er is zeker wél behoefte aan verbetering en verscherping van de bestaande regulering en de toepassing daarvan door toezichthouders. Hoewel er op veel punten actie nodig is teneinde kans op herhaling van de financiële crisis zo klein mogelijk te maken, acht ik de volgende overheidsmaatregelen van cruciaal belang:

1. Zwaardere kapitaalvereisten voor financiële instellingen, inclusief voor activiteiten in de “shadow” of “parallel banking” sector. Dit geschiedt terecht in mondiaal verband (Basel).

2. In de Europese Unie (EU):

a) meer macro-prudentieel toezicht inzake het behoud van de stabiliteit van het financiële systeem, met bevoegdheden op Europees niveau voor een nieuw Europees orgaan: een European Systemic Risk Council (ESRC) waarbij de ECB een centrale rol speelt; en

b) meer micro-prudentieel toezicht, met (bindende) bevoegdheden op Europees niveau inzake individuele grote, cross-border banken (respectievelijk verzekeringsmaatschappijen) voor een nieuw European System of Financial Supervisors (ESFS) waarbij de ECB juist geen rol speelt;


Naast overheidsmaatregelen is het noodzakelijk dat het risico-beleid van financiëleinstellingen aanzienlijk verbetert. Dat vergt een andere aanpak binnen individuele banken met beter inzicht in (nieuwe) financiële produkten en risico’s en door betere corporate governance. Voor dit laatste is het nodig dat het gedrag van alle drie componenten verbetert: directies, commissarissen en aandeelhouders van financiële instellingen. Dit moet primairndoor de banken zelf gebeuren maar wetgever en toezichthouders behoren daarbij wel een helpende doch dwingende hand te geven.


BELONINGEN


Men zal zich waarschijnlijk afvragen: hoort de beloning, en met name de bonusen van bankiers, niet bij dit lijstje van cruciale veranderingen? Mijn antwoord is genuanceerd. Het is terecht dat in politiek, media en samenleving hierover in veel landen grote opwinding en kritiek is ontstaan. Hoewel dit onderwerp dus belangrijk is dreigt het gevaar van populisme en van de illusie in de politiek dat met maatregelen ter beperking van deze beloningen de problematiek van de financiële crisis fundamenteel wordt aangepakt. Dat is niet het geval. Deze hoge beloningen vormen niet een der hoofdoorzaken van de crisis maar zij hebben wel een bijdrage geleverd aan versterking van verkeerde ontwikkelingen die toch al aan de gang waren. Maatregelen ter beperking van bankbeloningen richten zich nu vooral op de hoogste bestuurders (“hoge bomen ...”). Ik begrijp die aandacht en ik steun actie terzake. Veelal bestaan bonusen voor die groep bij grote banken echter al voor een deel uit uitgestelde vergoedingen (dus niet cash) in de vorm van “restricted stock” of opties op aandelen die pas na 3 of 5 jaar kunnen worden geïncasseerd. Dan werken tegenvallende bankwinsten in de komende jaren terecht ten nadele van die bankdirecteuren, als gevolg van de waarschijnlijke daling van de aandelenkoers. Men kan de voorwaarden en hoogte van die beloningen harder aanpakken maar de principieel juiste aanpak bestaat dus al. Ik zou meer pijlen willen richten op de soms absurd hoge vertrekpremies die sommige banken nu uitkeren aan directeuren die (moeten) vertrekken wegens slechte bedrijfsresultaten of overnames. Voor mij ligt de kern eerder bij de band tussen bankbeloningen en het verkeerde risicobeleid bij banken. Die band betreft vooral bonusen die op korte termijn contant worden uitgekeerd aan bankiers die niet op directieniveau maar een of twee lagen daaronder de rechtstreekse verantwoordelijkheid dragen voor transacties die het risicoprofiel van de bank (te) sterk verhogen. Dus handelaren en beheerders van kapitaalmarktportefeuilles. Zij worden gestimuleerd in het nemen van risico’s en het verhogen van de omzetten die op korte termijn wellicht winsten en daarmee gepaard gaande bonusen realiseren maar op langere termijn de bank met grote verliezen kunnen confronteren. Ook daar moet gelden: geen kas-bonusen maar pas betaling als over enige jaren geen lijken uit de kast blijken te zijn gevallen. De kern van de aanpak ter verbetering van het risicobeleid moet dus meer gericht zijn op het systeem van de bonusen dan op de hoogte.


GEEN ZELFREGULERING


Een van de belangrijke lessen van de financiële crisis is dat goede functionering van financiële markten en instellingen niet meer primair kan worden gebaseerd op zelfregulering. In de huidige tijd met sterk toegenomen globalisering en concurrentie, met omvangrijke cross-border activiteiten van financiële instellingen, met vele innovaties in financiële produkten die gepaard (kunnen) gaan met toenemende financiële risico’s, en ook met vele gevallen van financieel onverantwoord gedrag van financiële instellingen en bankiers, blijkt een aanzienlijke mate van regulering en toezicht (supervisie) door overheidsinstanties noodzakelijk te zijn. De tijden van “regulation light” zijn voorbij. Daarbij kunnen elementen van zelfregulering worden gehandhaafd. Een tweede les, die verband houdt met de eerste, betreft de noodzaak om deze regulering en dit toezicht een veel zwaardere internationale basis te geven. Voor Nederland moet dit allereerst in Europees verband gebeuren, in de vorm van bindende afspraken in de EU die verder gaan dan de huidige coördinatie op vrijwillige basis die niet voldoende effect heeft bij ernstige problemen die de nationale financiële markten en de nationale toezichtsystemen overstijgen. Deze Europese afspraken moeten worden ingepast in mondiale regelingen waarbij coördinatie tussen Europa en de VS de basis vormt. De recente conclusies van G-20 leveren daarbij belangrijke bouwstenen. Voor goed functionerende financiële instellingen dienen zowel de solvabiliteit als de liquiditeit in orde te zijn. We hebben recent gevallen gezien van banken die door grote afboekingen en verliezen op haar activa eerst in solvabiliteitsproblemen raakten en daarna en daardoor ook liquiditeitssteun nodig hadden als gevolg van niet meer liquide functionerende markten, onzekerheid en wantrouwen. Maar er waren ook gevallen waar eerst liquiditeitsproblemen zichtbaar werden (“run” op de bank) die vervolgens de solvabiliteit (verder) verzwakten door de noodzaak activa met verlies te verkopen of lager te waarderen.


OFF-BALANCE SHEET ACTIVA


Een belangrijke bijdrage aan de verzwakking van de soliditeit van het bancaire systeem bestaat uit de sterke toeneming van off-balance sheet activa en passiva. In de laatste jaren voor het begin van de financiële crisis (zomer 2007) hebben banken wereldwijd gezamenlijk honderden miljarden euro’s of dollars buiten haar balansen gebracht. Die handelwijze bevat grote gevaren. Ten eerste nam het risicoprofiel toe. De heersende kapitaalvoorschriften voor banken (Basel) bleken op dit punt onvoldoende: Basel heeft in feite het risicoprofiel ongunstiger gemaakt door het, als gevolg van een lager kapitaalbeslag, aantrekkelijk te maken activa en passiva van de bankbalansen te verschuiven naar “special purpose vehicles” (SPV’s) buiten de balans. Vele van die activa bleken later ernstige waardeverminderingen te vertonen waardoor banken óf die SPV’s aan hun lot overlieten (met als gevolg verliezen voor de crediteuren van de SPV’s) óf die SPV’s – zelfs zonder bankgaranties of liquiditeitslijnen te hebben verstrekt – bij problemen weer op haar balansen opnamen (met als gevolg verliezen voor de bank zelf!). Basel II had al enige correcties op dit punt aangebracht maar onvoldoende of te laat. Basel II heeft wel strengere kapitaaleisen gesteld aan liquiditeitslijnen die een bank aan haar off-balance sheet SPV’s verschaft. Het is dus nodig dat amendering van Basel II leidt tot verdere beperking van deze off-balance sheet activiteiten.


BOEKHOUDREGELS EN WAARDERING.


Het tweede gevaar is dat de transparantie van bankbalansen wordt belemmerd: aandeelhouders en crediteuren zien een sterk ogende balans die in feite minder sterk is doordat, verborgen in voetnoten in het jaarverslag, grote off-balance bedragen blijken te bestaan met daarmee gepaard gaande hogere leverage. Hoewel deze handelwijze niet strijdig is met heersende voorschriften van financiële verslaglegging is het aan te bevelen dat de externe accountants en de toezichthouders van banken die handelwijze bemoeilijken en tenminste eisen dat de transparantie wordt vergroot door het publiceren van een “groeps” balans waarin dergelijke off-balance sheet posten zijn opgenomen.


Een ander boekhoudprobleem dat ook een bijdrage heeft geleverd aan het versterken van de financiële crisis betreft de verplichting tot “fair value accounting”, met “mark-to-market” (MTM) waardering van vele bankactiva. Deze verplichting heeft tijdens de financiële crisis geleid tot omvangrijke afwaarderingen van activa waarvoor geen “markt” meer functioneerde of een markt met te lage liquiditeit. Op deze complicatie is felle kritiek geuit, vooral in Europa, door bankiers maar ook door politici. Ik neem een meer genuanceerde positie in. Dit waarderingsvoorschrift van de terzake verantwoordelijke organisaties in de accountancy wereld vormde niet een der fundamentele oorzaken van de financiële crisis maar heeft inderdaad wel de negatieve effecten van die crisis versterkt. Dit gebeurde door een sneeuwbal-effect waarbij banken werden gedwongen op grond van solvabiliteitsvereisten activa te verkopen hetgeen in niet of nauwelijks functionerende markten leidt tot “fire sales” met verdere afboekingen en verliezen, niet alleen voor de bank in kwestie maar voor alle Marktpartijen.


Het is ten principale terecht dat activa van banken MTM worden gewaardeerd. (Het Larosière-rapport is ook dit standpunt toegedaan). Het geeft de meest realistische, actuele waarde aan en voorkomt dat banken waardedalingen van haar activa (nog) niet boeken en daardoor noodzakelijke corrigerende maatregelen uitstellen. Op lange termijn is marktgerelateerde fair value accounting de meest transparante aanpak. Waar het nu op aankomt is het vinden van een middenweg waarbij dit principe wordt gehandhaafd maar in abnormale tijden zoals deze financiële crisis onbedoelde en ongewenste effecten worden voorkomen. In de praktijk ligt de oplossing in het reeds bestaande onderscheid tussen het “trading book” en het “banking book” van banken. Het is terecht dat voor activa in het trading book wél MTM waardering verplicht wordt gesteld; voor activa in het banking book (“assets to hold”) is een meer flexibele aanpak verstandig. De boekhoudregels stonden echter niet toe dat banken activa van de ene naar de andere categorie overboeken teneinde aan (verdere) afwaarderingen vanwege MTM te ontkomen. Het is gewenst hier meer flexibiliteit te verschaffen door in crisis-achtige situaties banken toe te staan eenmalig zo’n verschuiving toe te staan en activa die de bank wenst te behouden voor lange termijn, niet (meer) MTM te waarderen. Bij gebrek aan een relevante marktprijs moet de bank dan zelf de waardering bepalen met behulp van interne waarderingsmodellen of terugvallen op haar historische of geamortiseerde kostprijs van die activa.


In 2008 deden zich echter twee complicaties voor. De voor Europa doorslaggevende richtlijnen van de IASB (International Accounting Standards Board) werden en worden door die IASB – en vooral haar voorzitter - met grote hardnekkigheid verdedigd. Er was grote politieke druk nodig van de EU-ministers om de IAS regel op de hierboven vermelde manier te wijzigen in situaties van illiquide markten.


De tweede complicatie betreft het vereiste van “level playing field”, namelijk dat banken, wereldwijd maar primair binnen Europa en tussen Europa en de VS, onder gelijke concurrentieverhoudingen functioneren waardoor gevaarlijke verstoringen in die verhoudingen worden voorkomen. Die verstoringen kunnen tot ongewenste arbitrage tussen financiële centra leiden, in de vorm van verplaatsing van financiële transacties. Met andere woorden: er is meer convergentie nodig in de accountancy-standaarden, met name tussen de IAS van de IASB en de US GAAP van de Amerikaanse FASB. Er heerst wel voortgang op dit terrein maar het gaat langzaam.


KAPITAALVEREISTEN


Het is duidelijk geworden bij de analyse van de oorzaken van de financiële crisis dat een van de belangrijkste maatregelen om herhaling te voorkomen, betrekking heeft op de kapitaalvereisten van banken maar ook verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen. Het is goed te constateren dat dank zij Basel I (1988) bijna alle banken omvangrijke buffers in de vorm van minimum-kapitaalvereisten hebben moeten opbouwen. Later is echter gebleken dat die vereisten moeten worden verhoogd en verfijnd. Daar is men wereldwijd nu mee bezig (zie de G-20 conclusies), met forse amenderingen van Basel II. Het gaat hierbij echter niet simpel om een algemene verhoging van het kapitaal als percentage van de activa. Even belangrijk zijn preciseringen zoals:

a) de definities van de soorten kapitaal die worden meegeteld bij berekeningen of een bank voldoet aan die kapitaalvereisten. Er blijken nu te grote verschillen te bestaan tussen de nationale regels terzake. Het is nodig dat internationaal scherper wordt bepaald welke vormen en bedragen van hybride kapitaal (dus tussen puur eigen vermogen en puur vreemd vermogen in) worden geaccepteerd. Voorts meen ik dat de rol van hybride kapitaalvormen (zoals achtergestelde obligaties en deposito’s) moet worden verminderd;

b) de mogelijkheden om activa en passiva buiten de bankbalans te brengen – en daardoor met lagere kapitaalratio’s te kunnen werken – moeten worden beperkt.


SHADOW BANKS


Een derde belangrijke wijziging betreft de noodzaak dat financieel toezicht niet alleen betrekking heeft op instellingen die nu formeel de status van bank hebben maar ook op instellingen die in de praktijk dezelfde financiële produkten aanbieden maar formeel geen bank zijn en dus niet onder bancair toezicht vallen. Een dergelijke aanpak kijkt meer naar wat in feite gebeurt dan naar de formele status. Ik besef dat zo’n uitbreiding niet gemakkelijk is te realiseren wegens juridische definitieproblemen. Toch zijn er vele relevante voorbeelden zoals instellingen die, als “shadow” of “parallel banks”, voor grote bedragen consumentenkrediet verschaffen maar geen bank zijn omdat zij geen rekening-courant, deposito’s en spaarrekeningen van particulieren accepteren. In 2008, na de deconfiture van Lehman, zijn de weinige overlevende, nog zelfstandige investment banks in de VS (die qua toezicht vielen onder de SEC en niet – zoals “commerciële” banken – onder de Federal Reserve Bank of de OCC (dus de Treasury)) van status veranderd. Zij functioneren nu als commerciële banken (bank holding companies), onder toezicht van de Federal Reserve. Er pleit veel voor deze verandering: in feite waren de activiteiten van beide categorieën “banken” in toenemende mate overlappend geworden; de onderlinge concurrentie was dus ook toegenomen; de investment banks zouden zonder deze stap - met de liquiditeitsfaciliteiten van de Federal Reserve als lender of last resort die gepaard gaan met dit toezicht – waarschijnlijk niet zelfstandig hebben kunnen overleven.


HEDGE FUNDS


Men moet hierbij ook aan andere categorieën financiële instellingen denken die actief zijn in de sfeer van “parallel” bankieren zoals hedge funds en money market funds. Vooral inzake hedge funds is de laatste tijd door media en in de politiek veel lawaai gemaakt vanwege de gevaren die zij zouden veroorzaken voor het financiële systeem. Het is waarschijnlijk dat zowel in Europa als in de VS, na jaren aarzelen, binnenkort regulering via wettelijke maatregelen wordt ingevoerd om vele van die instellingen (behalve die met een geringe omvang) onder overheidstoezicht te stellen, zij het op een andere wijze dan banken. Hier past mijns inziens een genuanceerd standpunt. In tegenstelling tot de indruk die velen trachten te wekken, hebben hedge funds geen belangrijke rol gespeeld in de financiële crisis: geen rol als een der veroorzakers van de crisis maar wel hebben zij in zekere mate gefungeerd als versterkers van reeds aanwezige instabiliteit zoals door omvangrijke activiteiten van shortselling. Er zijn diverse hedge funds onderuit gegaan met forse verliezen voor daarin deelnemende beleggers. Deze verliezen hebben echter beperkte invloed gehad op de financiële markten: hedge funds zijn geen banken, de beleggers horen niet tot het grote publiek (retail) en er is geen beroep gedaan op deposito-garantie-systemen, schatkisten of centrale banken. Toch is ook naar mijn mening regulering en toezicht wenselijk. Die zou primair de vorm moeten aannemen van registratie en transparantie met meer, betere en eerdere informatieverschaffing over hun activiteiten. Het is echter niet gemakkelijk deze regulering een goed hanteerbare vorm te geven. Moet zij zich primair richten op het hedge fund zelf (als juridische entiteit) of op de instelling die als manager van zo’n fonds optreedt? Dikwijls zijn die twee in verschillende landen gevestigd. De ontwerp-richtlijn inzake hedge funds die de Europese Commissie heeft voorgesteld en die onder zware Franse en Duitse druk vérgaande maatregelen inzake toezicht, kapitaal en beperking van flexibel handelen bevat, lijdt onder overkill: op dit punt heb ik sympathie voor de protesten uit het VK. (Ik wijs erop dat deze ontwerp-richtlijn niet uit de koker van de Commissie-Larosière komt).


KREDIETVERLENING


De recente problemen bij financiële instellingen en de (voorgenomen) maatregelen ter voorkoming van herhaling leiden tot een tweetal veranderingen in de bankwereld in het algemeen die enerzijds onvermijdelijk, juist en noodzakelijk zijn maar die anderzijds gepaard gaan met onprettige economische effecten. Ten eerste de spanning tussen maatregelen ter versterking van de solvabiliteitspositie van vele financiële instellingen en de gelijktijdige aandrang op die instellingen om door hervatting van kredietverlening bij te dragen aan stimulering van de economische groei en bestrijding van de recessie. Die twee activiteiten zijn echter tegenstrijdig, althans op korte termijn. Immers, versterking van bankbalansen kan geschieden door middel van additioneel kapitaal (door winstinhoudingen, door aandelenemissies in de markt of door kapitaalinjecties van de overheid), en/of door “deleveraging”, dus verkorting van het balanstotaal. Echter, kapitaalvergroting is meestal slechts beperkt mogelijk en deleveraging betekent: minder schulden en minder activa waaronder vooral kredietverlening. Politiek is deze spanning natuurlijk niet gemakkelijk uit te leggen, vooral in tijden van stijgende werkloosheid en tegelijk omvangrijke bedragen die de overheid, en dus de belastingbetaler, heeft “geïnvesteerd” in kapitaalinjecties in banken. Ik verwijs naar de conclusies van de G-20 (Pittsburgh, 24-25 September 2009), par. 12, waar wordt gepoogd dit dilemma te verdoezelen: “We call on banks to retain a greater proportion of current profits to build capital, where needed, to support lending”. Een bank kan echter niet een hoeveelheid extra kapitaal gebruiken voor zowel verbetering van haar “capital adequacy” als balansuitbreiding met nieuwe kredieten.


LAGERE GROEI BANKSECTOR


Een tweede effect van de financiële crisis zal, zo verwacht ik, een meer structureel karakter hebben. De financiële sector is in de laatste 20 jaar disproportioneel hard gegroeid in bijna alle ontwikkelde landen. Dit kwam deels door innovatie met veel nieuwe financiële produkten en deels door het nemen van grotere, dikwijls onverantwoord hoge risico’s, gepaard gaande met sterke groei van omzetten, activa, winsten en “leverage” van banken. Dit alles heeft flink bijgedragen aan de totale economische groei. Verlaging van het risicoprofiel en strengere regulering en toezicht zullen na deze financiële crisis echter leiden tot een blijvend lagere groei van de financiële sector. Dit betekent niet alleen minder sterke stijging van balanstotalen, kredietverlening en winsten maar ook van werkgelegenheid en van beloningen van het personeel in de financiële sector. Deze effecten doen zich per definitie voor bij failliete banken en instellingen die door de financiële nood worden gedwongen tot fusie of overname maar in mindere mate ook bij degenen die de crisis wél zelfstandig hebben overleefd. De financiële sector zal, ook na het einde van de huidige recessie, een minder grote bijdrage gaan leveren aan de algemene economische groei en werkgelegenheid.


NEDERLANDS MODEL TOEZICHT


Nederland heeft een aantal jaren geleden (vóór de financiële crisis) het toezicht op alle financiële instellingen en markten in een andere vorm gegoten. Het is nu verdeeld over twee organen:

1. de centrale bank DNB verricht, naast het monetaire beleid, het micro- en macroprudentiële

toezicht op alle financiële instellingen (dus niet alleen banken); 2. de AFM is belast met het gedragstoezicht op alle deelnemers aan de financiële markten en aanbieders/gebruikers van financiële produkten.

Dit “twin peak model” wordt nu elders nog nauwelijks toegepast maar er valt een toenemende belangstelling te constateren in het buitenland, zowel in Europa als in de VS. Ik meen dat die belangstelling terecht is. Het Larosière-rapport (para 216) waagt zich niet aan een pleidooi voor invoering overal in de EU van dit twin peak model maar getuigt wel van de merites ervan. Andere landen in Europa die een verschillend systeem hanteren en vooral Duitsland en Engeland waar het monetaire beleid bij de centrale bank berust maar het prudentiële toezicht op banken is ondergebracht bij een separate instelling: BAFI respectievelijk FSA, hebben tijdens de financiële crisis moeten ervaren dat in tijden van snelle en schokkende veranderingen, zowel op de financiële markten als bij individuele banken, een systeem waarbij het monetaire beleid en het prudentiële toezichtbeleid zijn gesplitst en waarbij  bovendien de twee toezichthouders onderling nauwelijks contact (willen) hebben, niet goed werkt. De concrete gevallen van IKB-bank respectievelijk Northern Rock wijzen dit uit. Ik vind het hoopgevend dat Duitsland en Engeland waarschijnlijk hun model gaan herzien.


TAAKVERDELING DNB-AFM


Nog een opmerking over het Nederlandse toezichtmodel. Onlangs zijn suggesties gedaan om de taakverdeling tussen de twee financiële toezichthouders, DNB en AFM, te herzien omdat uit de ervaringen in de affaire DSB bank zou moeten worden geconcludeerd dat deze taakverdeling niet bevredigend blijkt te functioneren en dus moet worden gewijzigd. Ook ik meen dat er veel fout is gegaan in deze DSB-affaire maar het probleem zit niet in vermeende tekortkomingen in de verdeling van toezichttaken tussen DNB en AFM. Verder wil ik wat betreft het toezicht op DSB-bank de onderzoeksrapporten hierover afwachten.


NOG NIET OPGELOSTE KWESTIES


Tenslotte: er resteren drie belangrijke maar moeilijke onderwerpen van financieel toezicht op banken in moeilijkheden waarvoor nog geen politiek en financieel aanvaardbare oplossing is gevonden, in de vorm van nationale wetgeving of internationale respectievelijk Europese bindende regelingen. Het betreft:

1. het “moral hazard” dilemma;

2. de “burden sharing” tussen landen in gevallen van crisismanagement met overheidssteun aan probleembanken;

3. de criteria voor “too big to fail” bij overheidsbeslissingen welke probleembanken wel en welke niet worden gesteund.


Het rapport-Larosière bevat wel passages (para 127-143) over deze drie heikele onderwerpen maar de Commissie is er niet in geslaagd harde aanbevelingen terzake te formuleren. Dit kwam deels omdat er geen consensus haalbaar bleek, vooral niet over de burden sharing, en deels omdat de Commissie unaniem verwachtte dat in dit stadium van de Europese integratie geen politieke overeenstemming mogelijk is over bindende regelingen inzake bijdragen van nationale schatkisten.


Deze drie kwesties hebben banden met elkaar. Hoe duidelijker de indicaties zijn dat er bereidheid bestaat bepaalde banken wel en andere niet van overheidswege te steunen op grond van de “status” van “too big to fail” of van “systeembank”, hoe groter het ernstige gevaar van moral hazard wordt, doordat betrokken partijen – zowel directie/management als cliënten en crediteuren van een bank – hun gedrag bij transacties laten leiden door het nemen van hoger dan normale of verantwoorde risico’s, met per saldo een grotere kans op winsten. Die kans is immers gebaseerd op de waarschijnlijkheid dat bij problemen die bank wordt gered en dat de verliezen op de overheid en belastingbetalers kunnen worden afgewenteld (op basis van het principe “if quits: I win; if double: you lose”).

Ook bij de verdeling van de lasten van overheidssteun aan probleembanken speelt het too big to fail-dilemma. Bij een louter binnenlandse, niet omvangrijke bank ligt de zaak in zoverre eenvoudig dat beslissingen over wel of niet kapitaalinjecties louter worden genomen door de nationale overheid: er is geen sprake van internationale lastenverdeling. Zie de DSB-bank.

Dergelijke beslissingen inzake een grote internationale bank worden echter mede bepaald door de vraag of er zekerheid bestaat dat de overheden in de andere landen waar de

probleembank in kwestie ook actief is, in belangrijke mate mede de lasten van die kapitaalinjectie dragen.


Het rapport-Larosière (para 127) heeft hiervoor de aanpak volgens het principe van de “constructive ambiguity” aanbevolen, overeenkomstig de voorstellen van prof. Charles Goodhart en prof. Dirk Schoenmaker. In die aanpak kan het nadeel van moral hazard worden beperkt. Enerzijds moet het publiek duidelijk worden meegedeeld dat de overheden tijdig, dus ex ante, concrete maatregelen voor crisismanagement hebben afgesproken die worden geëffectueerd in gevallen waarin het ontbreken van dergelijke financiële steun zou leiden tot gevaarlijke onzekerheid op de financiële markten en tot bedreiging van de stabiliteit van het financiële systeem. Anderzijds wordt ex ante geen enkele aanduiding verschaft hoe de toepassing van die steunregelingen in de praktijk voor individuele gevallen van probleembanken zal geschieden: welke bank wordt wel gesteund, welke niet. Op dat punt moet dus juist doelbewust wél grote onzekerheid blijven bestaan.


Het rapport-Larosière constateert (para 139), realistisch maar treurig, dat internationale afspraken inzake burden sharing veel moeilijker zijn te realiseren (voorbeeld: Fortis) ad hoc, op het moment van een crisis en een reddingsoperatie (“zondagavond laat ...”) dan wanneer de betrokken nationale steunverlenende overheden zich kunnen baseren op een eerdere raamovereenkomst inzake de internationale verdeling van de lasten in individuele gevallen van steun. Zo’n raamovereenkomst bevat een aantal specifieke criteria die een leidraad verschaffen voor die lastenverdeling. Hopelijk kan zo’n aanpak over enige jaren in de EU wel worden geaccordeerd. In het algemeen verwacht ik internationaal op korte termijn belangrijke voortgang in de verbetering van de structuur van het toezicht op financiële instellingen. Het zal echter nog zorgelijk lang duren voordat alles wat op dat terrein nationaal en internationaal moet gebeuren zal zijn geëffectueerd.

De Kredietcrisis 2007-2009; Oorzaken en Lessen.


Nordemann Lezing 2009

door Dr. Onno Ruding, Voormalig Minister van Financiën, Voormalig ViceVoorzitter Citibank


Amsterdam  23 Oktober 2009












 Dr. Onno Ruding

< vorige spreker  -  volgende spreker >